Poëzietijdschrift Awater brengt hedendaagse poëzie in al haar verscheidenheid. Elk nummer staat vol met recensies, columns, interviews, essays en natuurlijk ook gedichten - zowel nieuw werk van eigen bodem als dichtwerk in vertaling. Bij de drie edities van Awater ontvang je de Clubkeuzebundel, een dichtbundel uit het recente aanbod die onze redactie graag aanbeveelt.

Onze website is de grootste online recensiedatabank voor Nederlandstalige poëzie. Hier kun je ook terecht voor nieuws over literaire evenementen en ontwikkelingen op het gebied van poëzie.

Awater werd in 2002 opgericht door Gerrit Komrij, de eerste Dichter der Nederlanden (voorheen Dichter des Vaderlands), om een breed publiek te enthousiasmeren voor poëzie. Deze missie heeft Awater nog steeds. We organiseren daarom ook Awater Live, een literair evenement waarbij we de inhoud van Awater naar het podium brengen met voordrachten, interviews én gesprekken met dichters, redacteuren en het publiek.

Terug

Nieuws

  • 'Aan wie, deze offers' van Daniël Vis wint Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026

    Stichting Zutphen Literair en  Stichting Bibliotheek Berkel & IJssel maken met genoegen bekend, mede namens de juryleden Roelof ten Napel en Vicky Francken, dat Daniël Vis de gemeentelijke Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026 krijgt toegekend voor zijn bundel Aan wie, deze offers (Hollands Diep). Op zaterdag 21 maart zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Dat Bolwerck te Zutphen.

    De Ida Gerhardt Poëzieprijs, een tweejaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel verschenen in de afgelopen twee jaar, wordt nu voor de veertiende keer uitgereikt. De jury, bestaande uit de dichters Roelof ten Napel en Vicky Francken, koos de bundel Aan wie, deze offers van Daniël Vis als winnaar uit een shortlist van zes genomineerde dichtbundels. In totaal beoordeelde de jury 140 ingezonden bundels, verschenen tussen 1 november 2023 en 1 november 2025.

    Over de auteur

    Daniël Vis (1988) is dichter en schrijver. Van zijn hand verschenen eerder de poëziebundels Crowdsurfen op laag water, Insect redux en Het weefsel. In 2022 verscheen zijn eerste roman: Een woelend lichaam. Voor zijn poëtisch oeuvre ontving hij in 2021 al de Frans Vogel Poëzieprijs.

    Over de bundel

    ‘Ik fluister soms een naam die op zoek is naar een vader.’ Aan wie, deze offers is een even meditatieve als lijfelijke bundel over de plek die iemand inneemt tussen zijn voor- en nageslacht. ‘Ben ik te jong/ om hierover te spreken?’, vraagt een stem die het heeft over het uitgeputte verlangen naar een kind, over de manieren waarop we onze ouders in onze geliefden terugvinden, over het genot, de intimiteit, de wanhoop en de spijt van samenzijn. ‘Hoe verhoudt zich spijt/ tot een natuurverschijnsel?’ De mystieke richting die Vis met zijn vorige bundel insloeg, krijgt hier een diep individuele, doorleefde textuur, ze krijgt geen gestalte in afstandelijke bespiegelingen maar in aarzelende hunkering: ‘Ik vrees de liefde die,/ enorm,/ verpletterend,// in mij/ haar plek inneemt’. Er wordt een reis gemaakt, er worden goden aangeroepen, er worden rituelen uitgevoerd. Aan wie, deze offers gaat over hoe het verlangen naar leven op ons kan gaan wegen en hoeveel moeite het kan kosten om dat verlangen te omarmen.

      

    Je borsten verlangen meer dan mijn mond,

    een mond

    van ons beiden.

     

    Uit ons lichaam komen klanken voort;

    ten eerste, met gezonde longen

    huilen we.

     

    Prijsuitreiking

    De prijsuitreiking vindt op zaterdag 21 maart ca 16.00 uur plaats in Dat Bolwerck te Zutphen. Dan ontvangt Daniël Vis uit handen van Sjoerd Wannet, wethouder cultuur van Zutphen, een bedrag van € 1.250 en een bronzen beeltenis van Ida Gerhardt, gemaakt door Herma Schellingerhoudt.

    Ida Gerhardt en Zutphen

    Dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) woonde van 1967 tot 1997 in Eefde en Warnsveld. In

    1998 is haar literaire nalatenschap overgedragen aan het Stadsarchief van Zutphen. Ter gelegenheid daarvan heeft de gemeenteraad van Zutphen besloten tot het instellen van een tweejaarlijkse poëzieprijs, vernoemd naar de dichteres. Vorige prijswinnaars waren: Kees ’t

    Hart (2000), Anneke Brassinga (2002), Lloyd Haft (2004), Astrid Lampe (2006), Nachoem M. Wijnberg (2008), Alfred Schaffer (2010), Henk van der Waal (2012), Pieter Boskma (2014),

    Peter Verhelst (2016), Menno Wigman (2018, postuum), Marieke Lucas Rijneveld (2020), Anne Vegter (2022) en Piet Gerbrandy (2024). Gemeente Zutphen heeft de organisatie van de Ida Gerhardt Poëzieprijs in handen gegeven aan de stichting Zutphen Literair. Zie www.zutphenliterair.nl/ida-gerhardt-poezieprijs

     

    [Bijschrift/credit foto Daniël Vis] – Foto door Irwan Droog

     

    De jury nomineerde in totaal zes bundels:

    • Mischa Andriessen, Pieta (Querido)
    • Esther Jansma, We moeten ‘misschien’ blijven denken (Prometheus)
    • Marc Kregting, De vriendelijke mens (het balanseer)
    • Yasmin Namavar, Verblijf (Uitgeverij Jurgen Maas)
    • Peter Verhelst, Nachtatlas (De Bezige Bij)
    • Daniël Vis, Aan wie, deze offers (Hollands Diep)

     

     

    Mischa Andriessen, Pieta (Querido)

    Pieta is de robuuste sluitsteen van een drieluik over de liefde, die in verschillende gedaanten komt: van de roes van het verlangen tot het rouwen om verlies. Andriessen schrijft over geliefden die elkaar vonden maar weer verloren, over een vader en zijn zoon, die zelf weer de vader is van een zoon, over de liefde die voortduurt tot na “de dood ons scheidt” en over prille liefde die opnieuw ontstaat. Niet zelden leidt liefde hier tot een mate van zelfverlies: het hoogste doel of de diepste val? Pieta is een sterke, warmbloedige bundel vol verwijzingen naar klassieke motieven uit de literatuur, muziek en schilderkunst, waarin Andriessen een heldere taal vond voor wat geneigd is abstract te blijven: ‘Jij zou de wind nog in steen vangen’. De bundel is ‘een gesprek dat wordt aangegaan, met iemand wiens antwoord stilte is’. Met de moed der diepe wanhoop valt niet anders te concluderen: ‘Jij mist me ook, anders schreef je wel terug’.

     

    Onthoud hoe ik hier lig en stillig – bewegen

    Lijkt iets wat ik al zo lang geleden verleerde

    Alles doet zeer vooral wat ik het liefst wil – leven

    Nee ik ben niet vergeten hoe eens onze lichamen smeekten

    Te worden aangeraakt hoe alleen al de voorstelling

    Van je huid tegen de mijne me uitzinnig maakte

    (…)

    Ik weet niet wat ik heb misdaan om zo te moeten worden

    Leeggehaald een huls van schrijnend vel te zijn dat barst

    Zodra het zacht het laken raakt onthoud hoe ik hier lig (…)

     

     

    Esther Jansma, We moeten ‘misschien’ blijven denken (Prometheus)

    ‘De dichter is niet wijzer dan andere mensen’, schrijft Esther Jansma in We moeten ‘misschien’ blijven denken. ‘Gedichten weten meer dan hun makers/ in dit nu, in dit volgende nu kunnen weten./ Ze zijn gestolde aandacht, herstelsels van tijd.// Daarom bestaan er geen dichters./ Ik wil dat dichters niet bestaan.’ Ook dit is noodgedwongen een sluisteen, maar dan die van een oeuvre. De knappe laatste bundel van Esther Jansma toont dat haar stem nog lang niet uitgesproken is: echo’s van haar eerdere werk klinkt in de bundel door, die zelf ongetwijfeld nieuwe echo’s zal voortbrengen. Het gaat hier, zoals in veel van Jansma’s werk, over tijd, eindigheid en oneindigheid, over afscheid nemen, over angst en de manier waarop we die proberen het hoofd te bieden. Veel titels geven een opdracht, in de vorm van imperatieven: zoek, oefen, wen, krimp, verdwijn, ga, schreeuw, zing, zorg, besta, luister. Wens, stop, herneem, weet, kijk, zucht, stel, word, groei. En wat te denken van het openingsgedicht, ‘Hoop’? Dat is naast een zelfstandig naamwoord net zo goed een gebiedende wijs. Met een open houding, in een volstrekt alledaagse maar zeer beheerste taal, wordt het wezenlijke aangeraakt: ‘Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’.

     

    Krimp

     

    Aan de rand staan kijken naar wat echt is

    en jij bent dat niet zo toevallig besta je

    dat je er al bijna bent geweest of er nooit was.

     

    Bezien worden vanaf een overkant

    vol wij de levenden gezonden gezegenden

    en verworden tot je jaren, herkomst, botjes.

     

    Ook op andere wijze kun je verkleinen:

    een ei kapotslaan, een begin verzinnen dat

    een einde is, jezelf breken tot iets zingt.

     

     

     

     

    Marc Kregting, De vriendelijke mens (het balanseer)

    In de tweeënzeventig achtregelige strofen van De vriendelijke mens ontmoeten we een migrant die in Patatonië een leven probeert op te bouwen door hard te werken en vol te houden – al is deze vriendelijke mens ‘natuurlijk’ soms ook wel ‘een beetje boos’. Je kunt hem geen ongelijk geven, met alles wat hij heeft moeten doorstaan en nog moet: ‘Zijn geloof in het goede trof weer een proef’. Zoals de brieven die eisen: ‘wilt u per ommegaande/ ons verwittigen van uw bestaan’. Een episch gedicht vol bureaucratische verwarring, ‘meer-/ talig’ en ‘Babelwaardig’, zoals het zelf zegt – vol neologismen en fragmenten in het Frans, Duits, Engels – dat het fragiele midden houdt tussen vastberadenheid en cynisme. ‘Glimlachend en een vleugje sullig of beaat/ zoekt de vriendelijke mens naar zijn point/ of view, in de pauze van zijn baan waaraan/ de drifthuishouding opgaat’. Een morele bundel die nergens moralistisch wordt, waarin we samen met de protagonist naar ‘het neonlicht boven de/ uitgang’ kijken, ‘ALL WELCOME’.

     

    Op een gewone middag, echt doodgewoon,

    het licht hing nog een vaatdoek te zijn

    boven het opmerkelijk geasfalteerde pad

    het is wel Patatonië waar elke mobiliteit

    voor de mensheid zonder motor aangewezen

    is op strookje en kassei, op die gewone

    namiddag kwam ons tegemoet niemand minder

    dan de vriendelijke mens.

    (…)

    De vriendelijke mens straalt niets uit, hij

    kaatst, een zon die eigenlijk feitelijk een

    maan is, die groeit in zijn rol van nimmer

    af te laten, van een mug te promoveren op

    de rug van een olifant, zwaargewicht dat

    tocht vangt met dotten poolbont, met dien

    verstande dat hij steeds opnieuw, dat hij

    begint en steeds straalt.

     

     

    Yasmin Namavar, Verblijf (Uitgeverij Jurgen Maas)

    In Verblijf verhaalt Yasmin Namavar, zonder dat direct te benoemen, over grootse thema’s als identiteit, ontheemding en de vraag waar je thuis kunt zijn: in een lichaam, in je verhouding tot dierbare anderen, in de wereld, in taal. Deze veelvormige bundel barst van de geladen beelden, in gedichten die niet zelden zo scherp zijn als duistere sprookjes, maar daarnaast ook getuigen van weemoed en zinnelijkheid. Trefzeker en eigen, alsof dit de zoveelste bundel van een groot talent is, in plaats van een opmerkelijk debuut. De voelbare spanning in en tussen de regels, de zeer eigen beeldtaal en de overtuigende opbouw onderstrepen de lading van een bundel die gaat over hoe moeilijk ‘thuisvoelen’ is, maar die meteen en volslagen thuishoort in het veld van de poëzie. Zie het prachtige en dappere slotgedicht ‘Zeegazelle (voor āhoo daryāyi)’ bijvoorbeeld:

     

    Omdat hij mijn woning bezet, zijn gedrongen lijf

    tegen mijn oogleden drukt, wacht ik op een zeegazelle

    een vrouw met hoeven niet voor steen gemaakt

    zachte zolen, haar stem zout als een artemisschelp

     

    mijn ogen leunen zwaar op de waarheid verdragen

    geen verhalen met stokrozen en aroma

    van lelietje-van-dalen

    geen geschiedenisboeken met zwarte letters op wit papier

     

    zijn stropdas is nabij, op de grond een tapijt van flats in een land

    als het mijne, met hoge stoepranden, oleanders, vlezige vijgen

    terwijl ik thuis ruimte maak in de berging, op zolder, in mijn bed

    voor bagage en een bezem

     

    ik laat de dood aan mijn kruis ruiken, in mijn mond blaffen

    en wacht op haar, bloot en zonder hoorns

    haar buik nog warm van die ene keer

    dat ze op straat liep.

     

     

    Peter Verhelst, Nachtatlas (De Bezige Bij)

    Weinig van onze dichters zijn steevast zo goed als Peter Verhelst, maar het blijft bewonderenswaardig: een bundel schrijven over stilte, dromen, het uitdoven van het licht (de nacht, de liefde, de dood), dus over thema’s die op z’n zachtst gezegd niet nieuw zijn – maar die in de woorden van Verhelst weer klinken als helder water: ‘Dit is stilte, een kooi onder een deken.’ In Nachtatlas, zijn eerste bundel na een trilogie met een meer maatschappelijke inborst, keert Verhelst terug naar het innige, individuele. En wat hij schrijft is niet alleen mooi gezegd, het is scherp gedacht: ‘iets moet ons hebben aangeleerd te verlangen/ naar de eerste keer dat we verloren liepen en niet terugkeerden/ nadat we dat hadden beseft’. Een zachte lyriek vol kalme herhaling, die spreekt over de intimiteit van en het verlangen naar de nacht, over hoe alles wat we zo graag willen blijven vasthouden in het tijdelijke leeft.

     

    Ergens in de atlas met bladen van zwart glas

    bewasemd met stofwolken en gaswolken,

    moet zich die ene planetoïde bevinden

    in de vorm van een schip en een eiland

    en een vrouw en een lynx

    en een mes en een roos tegelijk.

     

    'Aan wie, deze offers' van Daniël Vis wint Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026
    7 februari 2026