Recensies

  • Western

    Delphine Lecompte
    Western

    Murder ballads

    Na onrecht volgt vergelding. Voor haar zevende bundel Western nam Delphine Lecompte het klassieke filmgenre als uitgangspunt en het mag niet verbazen dat ook dit nieuwe werk bol staat van naargeestige figuren die elkaar een hoop ellende aandoen. Een voorliefde voor de randfiguur, de outlaw zo je wilt, is inmiddels haar handelsmerk geworden en met velen van hen heeft ze nog een appeltje te schillen.

    Western leest net zoals Lecomptes eerdere werk als een droomsequentie: een aaneenschakeling van ingevingen waarbij de dichter zich buiten het enjambement weinig gelegen laat liggen aan rijm, metrum en andere kunstgrepen. Niet verwonderlijk dat de bundel veel beelden en personages ten tonele voert die de lezer al kent: onder de passanten zijn zeepzieders, touwslagers, necrofiele tegelzetters, een analfabetische jongenshoer en stierenvechters – en natuurlijk mag ook haar geliefde kruisboogschutter niet ontbreken.

    Lecompte laat een ik-verteller aan het woord die veel autobiografische trekken vertoont en die voortborduurt op het imago dat de schrijver zich in zekere zin ook buiten haar werk heeft aangemeten. ‘Ik was een paria/ Ik ben nog steeds een paria/ (...) En mijn favoriete kleur is nog altijd de hals van een duif.’ Een verwijzing niet zozeer naar een kleur, als wel naar de omslag van haar debuutbundel De dieren in mij, waarop een dode duif staat afgebeeld. Op deze manier zet dit gedicht subtiel de toon, door de dood in het hart van Lecomptes oeuvre te plaatsen.

    Moord en doodslag zijn alomtegenwoordig en Western leidt de lezer in vier hoofdstukken door de ontwikkeling die de ik-figuur doormaakt van kind tot volwassen vrouw. Deze gaat niet zonder slag of stoot, immers: ‘afzien is boete doen, en boete doen is noodzakelijk wanneer je een hoer bent.’ Ze loopt in flink wat valkuilen en afzien neemt veelal de vorm aan van seksueel misbruik. Hiervan wordt enigszins gelaten verslag gedaan (‘De twee nekloze matrassenverkopers overmeesteren mij en... Je kunt de rest wel raden’), Tess of the d’Urbervilles en andere literaire slachtoffers passeren de revue en ook de analfabete jongenshoer moet eraan geloven.

    De hoofdstukken (te weten Part one: child, Part two: whore, Part three: revenge en Part four: redemption) zijn getiteld naar archetypische thema’s die de ruwe weg naar verlossing beschrijven. Het zou echter te makkelijk zijn om toe te lezen naar een climax waarin het goede het kwade overwint. Want hoewel de ‘ik’ zich voorneemt om af te rekenen met de talrijke boosdoeners op haar weg, blijkt het moeilijk om in Western een good guy aan te wijzen. Veruit de meeste karakters zijn underdogs, en al snel wordt duidelijk dat het juist de underdogs zijn met wie ze zich identificeert. Zo belandt ze in ‘We maken een kringetje van jongens en van meisjes’ met vier andere kinderen in de ‘slechte’ kring: ‘kinderen wier vaders weggelopen zijn (...) de kinderen die naar lijm en hondenferomonen ruiken.’

    Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt zelden een kwartje, en wars van zelfmedelijden toont Lecompte dat we er vaak slechts op achteruit gaan: ‘Ik ben corrupt en verraderlijk, zo ben ik niet geboren’. Bovendien rijst de vraag of binnen de traditionele western en de machocultuur die het genre lange tijd vertegenwoordigde een heldenrol is weggelegd voor een vrouw. Een vrouw nota bene die allesbehalve het toonbeeld is van goede deugden.

    Gelukkig blijkt Lecompte ook niet voornemens al te zwaar te leunen op de thematiek en bieden de opgewekte toon, het hoge tempo en een flinke dosis zelfspot een welkome relativering op alle lotgevallen. Ook de vertellende stijl en het alledaagse taalgebruik geven de kleine narratieven in Western eerder iets absurds dan dramatisch, en nog voordat in gedachten het orkest van Ennio Morricone aanzwelt om alle tragiek te benadrukken dringt de vergelijking met murder ballads zoals die van Nick Cave zich op.

    Vrijblijvend wordt deze grillige poëzie echter nergens. Sterker nog, door zich te bedienen van een oorspronkelijk door mannen gedomineerd genre neemt Lecompte wraak uit naam van alle slachtoffers uit de literaire geschiedenis die eerder nauwelijks een stem kregen. Denk aan Batseba, de vrouw die van Uria geroofd werd door David en die een cruciale rol in de vertelling speelt, zonder dat zij ook maar een enkele keer het woord krijgt. De verteller vereenzelvigt zich regelmatig met dit personage uit de Hebreeuwse bijbel. Of Desdemona, de vrouw van Shakespeares Othello die ten onrechte beschuldigd wordt van ontrouw en zedeloosheid maar geen enkele kans krijgt zich te verdedigen. Samen met onder meer de analfabete jongenshoer vinden zij in deze onconventionele bundel een beschermengel.

    Op eigenzinnige wijze incorporeert Lecompte elementen uit literatuur en film in een poëtica die zich het beste laat omschrijven als een mengelmoes van interpretaties, toevallige voorbijgangers en autobiografie en die op die manier een volledig uniek genre vormt.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentElske Jacobs
    Editie2017-3