Recensies

  • Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar

    Anna Enquist
    Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar

    Klachten rond gebit en stoelgang

    Het is een mooi staaltje afstemming tussen twee uitgeverijen die sinds een paar jaar gebroederlijk tot Singel Uitgeverijen behoren: voor de Arbeiderspers schreef Anna Enquist Een tuin in de winter, een Privé Domein-deel over Gerrit Kouwenaar, en voor Querido stelde ze de bloemlezing Van woorden gemaakt samen uit zijn hele oeuvre. Beide boeken hebben een omslag in dezelfde kleuren.

    Anna Enquist ontmoet Gerrit Kouwenaar in 1992 als debutant op Poetry International. Vanaf dat moment blijven ze elkaar zien, tot de dood van de dichter in 2014. ‘Waarom schrijf ik dit allemaal op? Omdat niemand meer over hem schrijft. En omdat ik hem mis.’ motiveert Enquist haar boek met herinneringen. Dat laatste is een alleszins begrijpelijke drijfveer. Het eerste verdient wel enige relativering: Kouwenaar overleed minder dan drie jaar geleden. Van vele grote dichters zijn pas decennia na hun overlijden biografieën geschreven, zoals Nijhoff (ruim 40 jaar), Gerhardt (meer dan 20 jaar), Slauerhoff (60 jaar). Op de biografie van een van Nederlands grootste dichters aller tijden, Leopold, wachten we nog steeds; hij overleed in 1925, bijna een eeuw geleden.

    Enquist wil haar herinneringen boekstaven ‘voordat het te laat is.’ Een mooie ingeving; het is alleen jammer dat het merendeel van wat ze beschrijft nogal onbeduidend is. Wat willen we lezen over het leven van een dichter? Liefst niet louter alledaagsheden, maar hoe iemand wás, hoe hij dacht, hoe hij in het leven stond en vooral hoe dat samenhangt met zijn werk. Fascinaties: wie daar naar op zoek is, komt in dit boek nauwelijks aan zijn trekken. Misschien komt het door de zorgzame rol die Enquist samen met haar man Bengt vervulde in het leven van de ouder wordende dichter. Zo lezen we hoe het stel altijd paraat staat, hoe Enquist kleren past voor het boekenbal met Kouwenaars vrouw Paula, hoe ze ‘eten koken, samen de afwas doen, meningen uitwisselen over de kwaliteit van visboeren.’ Groot gelijk dat ze die kennis delen, maar wat hebben wij er als lezer aan?

    ‘De dichterswereld is een gewone wereld, hoor, vol gewone mensen, heel huiselijk en knullig’, zegt ze zelf in een interview in de Volkskrant. Dat dat op zich geen bezwaar hoeft te zijn bewijst het boek van Céleste, de huishoudster van Proust, waarin ze een prachtig en waardig beeld van een schrijver schetst vanuit haar huishoudelijke perspectief, in het onvolprezen Mijnheer Proust.

    De oppervlakkige nieuwsgierigheid van de lezer wordt bevredigd met anekdotes uit de dichterswereld van Kouwenaars generatie. Hoe Remco Campert op Poetry wijn serveert: ‘Wie wil er een kopje witte wijn?’ Hoe Herman de Coninck in Portugal op het plaveisel naast Enquist dood neerviel, de wedijver tussen Rutger Kopland en Kouwenaar, hoe hij plannetjes maakte om met Campert en Bernlef in een jury plaats te nemen om haar een prijs te laten krijgen. Maar opzienbarend is het allemaal niet. Even veer je als lezer op als Enquist vertelt hoe graag Kouwenaar vertelde over de Eerste Wereldoorlog. Zijn favoriete route naar Frankrijk (waar hij een tweede huis had) leidde langs de slagvelden en dan vertelde hij honderduit. Maar nee, Enquist rijdt door, en wát hij daarover vertelde, wat hem fascineerde, krijgen we niet te horen.

    Een mooie analyse is dat Kouwenaar zo’n directe toegang tot de kindertijd leek te hebben en dat hij zeer levendig over zijn jeugd kon vertellen. Maar opnieuw horen we van die verhalen zélf niets. Een mooie overpeinzing van Kouwenaar die wél wordt verteld, betreft het feit dat er in IJsland geen bomen groeien. Hij kon zich niet voorstellen hoe je gedichten kunt schrijven buiten het concept ‘boom’ om. ‘Wortels, zaden, uitbottend groen, kale takken – je kan toch niet zonder?’ Van dit soort observaties hadden er meer in het boek gemogen.

    We krijgen ook mindere kantjes te horen, zoals het feit dat Kouwenaar zuinig was, op het gierige af, egocentrisch en zelf haast nooit vrienden belde. Dat mag gezegd, het hoeft geen heldenzang te worden. Maar wat betreft het benoemen van ontbijt- en badgewoonten, ‘klachten rond gebit en stoelgang’ en medische ongemakken (‘luier om en de tanden in een waterglas’) had het wel wat minder gemogen; Kouwenaar had al deze details vast niet op prijs gesteld – en wie wel?

    In beide boeken is er aandacht voor Kouwenaars poëtica en Enquists worsteling met zijn opvatting van poëzie als ‘ding van taal’: ‘Ik heb zijn poëzie altijd zoekend naar gevoelens gelezen en heb me laten ontroeren als ik ze vond.’ Ze kan zich er niet van weerhouden te zoeken naar de verwijzing naar zijn eigen leven. De 100 gedichten in de bloemlezing Van woorden gemaakt heeft ze dan ook geordend volgens autobiografisch ingegeven thema’s als ‘Vroeger’, ‘Oorlog’, ‘Leven’ en ‘Huis, tuin’ en ‘Maken’ – niet erg Kouwenariaans. De keuze geeft een mooie dwarsdoorsnede van zijn werk die echter niet veel toevoegt aan eerdere bloemlezingen, met een accent op de toegankelijkere gedichten. In combinatie met de aansprekende inleiding zou deze bundel misschien nieuwe geïnteresseerde lezers kunnen trekken – wat pure winst zou zijn.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2017
    RecensentKiki Coumans
    Editie2017-3