Recensies

  • Toen het moest

    Micha Hamel
    Toen het moest

    Gewoon, omdat het kan

    ‘Laat Hamel zijn lier vooral weer uit de wilgen halen,’ schreef Erik Menkveld in de Volkskrant, aan het eind van zijn viersterrenrecensie van Micha Hamels vorige bundel, Bewegend doel (2013). Bij het verschijnen van die bundel had Hamel namelijk publiekelijk verklaard in het vervolg nog wel te zullen blijven schrijven, maar géén gedichten meer. ‘Jammer!’ schreef Menkveld terecht, en het zou hem ongetwijfeld plezier hebben gedaan dat de soep toch niet zo heet wordt gegeten als ze werd opgediend: onlangs verscheen toch echt Hamels volgende bundel, zijn vijfde intussen.

    Al moeten we aan een bundeltitel misschien niet te zwaar tillen (Hamel in een interview in Awater van tien jaar terug: ‘over een titel moet je niet gewichtig doen. Die moet niet ontzettend lelijk zijn noch de bundel volledig willen afdekken’), het lijkt er toch op dat met ‘toen het moest’ meteen maar even helder gesteld wordt waarom de dichter het met zijn voornemen uiteindelijk niet zo nauw genomen heeft: je kunt wel geen gedichten meer willen schrijven, maar als het moet, dan moet het nu eenmaal.

    Uit een groot deel van de bundel spreekt (kreunt? juicht?) inderdaad een sterke persoonlijke urgentie: in alle pogingen om gedachtes en bedenksels vorm te geven, de taal uit elkaar te schroeven, de veelkantigheid van de werkelijkheid te omsingelen, klinkt een stem door die misschien af en toe wel zou wíllen zwijgen, maar dat simpelweg niet kán. Wie cola drinkt, moet boeren; wie Micha Hamel heet, moet dichten. Op de voorkant van Toen het moest staat voor de zekerheid ‘poëzie’, maar achterop lezen we dat het ‘maar de vraag [is] of Toen het moest wel een dichtbundel is. Het is in ieder geval een verzameling teksten, notities, collages, verslagen, vertelsels, liederen – en als je goed kijkt zitten er ook gedichten tussen.’

    In die bonte verzameling is een aanleiding voor een tekst even gemakkelijk gevonden bij een gedicht van Vasalis als bij de vijftigste verjaardag van de vrouw van een vriend. In dit universum kunnen we even goed de term ‘foute disco’ behandelen aan de hand van een taartdiagram, als ‘de gruwelijke ruis van mijn bloed’ en ‘de tortuur van mijn ongevraagde geest’ aan de orde stellen tijdens een motregenbuitje. Het leven, lijkt Hamel pagina voor pagina te willen inprenten, is lang niet altijd een feest, maar dat ontslaat ons niet van de dure plicht er telkens een spel van te maken.

    En in dat spel dat het leven zou moeten zijn, is evenveel plek voor de meest precies geformuleerde momenten van luciditeit, als voor passages waarvan de lezer kan denken: waarom moet dit eigenlijk in deze vorm, waarom moet ik dit eigenlijk lezen? Een goed voorbeeld van die precies geformuleerde luciditeit, onder vele, biedt het gedicht ‘Transport’, dat opent met de praktische tip:

     

    Een auto kun je het beste vervoeren

    door erin te gaan zitten, de motor te starten
    en van A naar B te rijden.

     

    Waarop even later een alternatief geboden wordt:

     

    om het even welke personenauto kun je op een
    vrachtwagen-met-dubbele-oprijwagen laden en
    hem niet vergeten goed vast te zetten. Zie foto.

     

    Echter:

     

    personenauto’s zijn er toch juist voor om mensen                              te vervoeren?
    Waarom zou je negen auto’s gebruiken om een chauffeur              te vervoeren?
     
    Dat is toch inefficiënt?
    Dat is toch inefficiënt!
     
    Wat is de belangrijkste persoon in mijn leven?
    
Ik ben het zelf, want zonder mezelf heb ik geen leven.

    Zonder mezelf heb ik geen leven.

     

    Een goed voorbeeld van het opmerkelijke vormgebruik, is ‘Lokroep’: een tekst die werd geschreven voor een Virtual Reality-installatie, en in die hoedanigheid ook echt aangrijpend werkte, maar waarvan op kaal papier niet veel meer dan een eenvoudig en lichtelijk saai transcript overblijft. En toch moest zoiets er natuurlijk ook gewoon in, in deze dichtbundel die misschien geen dichtbundel wilde zijn, net als de typografische ontsporingen, de notenbalken, doorgehaalde woorden, het in handschrift gestelde ‘Wie dit leest is gek’... Hoe anders moet deze dichter het voor elkaar proberen te krijgen getuigenis af te leggen van ‘de onafgebroken aanrijding/ met een persoon die ik ben’, van dit leven waarin ‘We reizen door de tijd met een snelheid van 1 uur per uur’?

    Want hoe krijgen we het hele leven vastgelegd? Niet, natuurlijk. Niet dan heel even, in het moment betrapt, volkomen verbrokkeld, verbrijzeld. In het futiele schuilt het wezenlijke, in de grap de pijn. Alleen in het pad van het absurde lijkt een kans te liggen op een logische weg. Waarom prijst De Jeugd van Tegenwoordig het 4G-netwerk van Tele2 in een reclamespotje aan? ‘Niet omdat het moet, maar omdat het kan.’ Wat is in het kader van diezelfde campagne de liefdestroef van rapper Lil’ Kleine voor het meisje dat hij bezingt? ‘Niet omdat het moet, maar gewoon omdat het kan, ja.’ Dus waarom moest het, Toen het moest? Precies waarom in de slotregels van Hamels bundel zijn huid priemgetallen dampt: ‘Gewoon, omdat het kan.’ Ja.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2017
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2017-3