Recensies

  • Wildcamera

    Martin Reints
    Wildcamera

    Poëzie zonder leesbril

    Wildcamera van Martin Reints bestaat niet alleen uit gedichten maar ook uit beschouwingen. In een van die prozastukjes kijkt Reints naar een stilleven van Vermeer: ‘De muziekles’. Hij is zich bewust van de verschillende interpretaties die er op dat schilderij zijn losgelaten maar volgt er tenslotte geen een. Volgens hem kun je het schilderij beter met rust laten: ‘“Stilte” zou een betere titel zijn voor dit evenwichtige, rustige schilderij, want van een muziekles is toch nauwelijks sprake. Maar nog beter: “Zonder titel”.’ Zo kijk ik ook het liefst naar Reints’ gedichten, niet om wat ze me te vertellen hebben maar omdat ze me bevallen. Niet allemaal evenzeer natuurlijk maar het merendeel toch wel. Lezen, kijken met wat Kant noemde ‘Interesseloses Wohlgefallen’, misschien wel het hoogste goed in elke kunstbeschouwing.

    Wildcamera heet deze bundel, naar een van de gedichten erin, maar het is een titel die de hele lading dekt. Als door een wildcamera kijkt de dichter naar zich onbespied wanende mensen en gebeurtenissen. Bijvoorbeeld in ‘Vitrine’, waarin de ik zich steeds dieper in een veilinghuis waagt, via een geschilderd heidelandschapje of een bord waarvan we de geschiedenis niet kennen. Het is een ode aan het onbekende dat toch fascineert:


    iemand waar ik verder niets van weet leest in een boek
    over een geschiedenis waaraan hij niet heeft deelgenomen,
     
    met van zijn ene hand de vingers op een bladzijde
    en in zijn andere hand de koker van een leesbril.

     

    Bij Reints is de mens iemand die eigenlijk niks weet of begrijpt, hoezeer hij met leesbril ook zijn best doet, en namens wie de dichter zich daarbij neerlegt. Het zijn stuk voor stuk ‘je ne sais pas’-gedichten. Dat maakt ze nogal bijzonder in deze wereld van dichters die achter hun gevoelens aanlopen of proberen dingen te duiden. Reints stelt zich er tevreden mee de dingen te beschouwen, zelfs verrassing of verbazing komt niet op zijn menu voor. Het geeft zijn gedichten een zen-achtige uitstraling, overigens zonder de daarmee vaak gepaard gaande zweverigheid. Integendeel, het werk is juist extreem nuchter.

    Overigens betekent dat nuchtere, onbevooroordeelde kijken niet dat alles ook eenvoudig is. In ‘Spin’ bijvoorbeeld ligt iemand met zijn ogen dicht maar ziet lichtflitsen en bliksemschichten, zo komt hij in een fantasiewereld terecht: een woud, het hol van een stekelvarken, en er ook weer uit. Het is dus niet alleen de werkelijkheid van Vermeer of het veilinghuis maar ook die van de verbeelding die door Reints zo kalm en aanvaardend wordt bekeken. In feite bestaat er geen soortelijke ongelijkheid voor zijn oog, alles is even zichtbaar en ondoordringbaar tegelijk. Het gedicht ‘Over het podium’ met zijn belofte van helderheid maar zijn boodschap van mist zegt het helemaal:
     

    Aankleden, en uitkleden
    
de leeuwenhuid aantrekken
    de hazenhoed afzetten
     
    in de ideeënbus een idee deponeren
    en wachten
     
    en verder weer
     
    opkomen, en afgaan

    het is een kwestie van ritme

    mooi bewegen over een diagonaal op het podium
    en dan uit beeld verdwijnen
     
    je neemt alleen maar flarden waar
    en het zijn mistflarden
    
maar dat is genoeg.

     

    Martin Reints is wel zo’n beetje de traagst schrijvende dichter die we in Nederland hebben, dit is in een carrière van 36 jaar nog maar zijn zesde dichtbundel. Ik denk dat die ongehaaste productie samenhangt met zijn verlangen naar bijzondere momenten. Momenten dat je het gewone, oninterpreteerbare van dingen ziet en ervaart. Een soort ultieme stilte. Het geeft zijn gedichten, die toch vaak wijdlopig zijn, iets van minimal art. Het duurt steeds even voor het gebeurt: ‘De wildcamera slaat aan/ en filmt’.

    Het zijn geen gedichten om achter elkaar door te lezen, daarvoor gebeurt er per saldo te weinig. Maar dat weinige is juist waar het om gaat. Je kunt ze maar het beste savoureren, heel zorgvuldig proeven en dan weer even wegleggen. Niet voor niets spreekt de bijgeleverde tekst van de uitgever van ‘een grote betovering’. Daar hoor je in de hedendaagse poëzie te weinig over, dat het gedicht je ook gewoon kan betoveren. Reints’ verslag van de tentoonstelling van Germaine Kruip in de Oude Kerk eindigt met iets wat je wel als een soort geloofsbelijdenis van de betovering kunt lezen: ‘Met elkaar was het bijna niets, maar het was alles. Licht, tijd, ruimte en geluid.’

    Je vraagt je intussen wel af wat een volgende bundel nog voor pakkends kan brengen, nu Reints zo op het allesomvattende nulpunt van ervaringen is beland. Ergens voelt deze bundel aan als een eindstation, met regels als ‘Ik zeg niets/ dan zeg ik dat ik niets zeg/ en dan weer zeg ik niets.’ en ‘Ik zei iets tegen iemand/ maar ik weet eigenlijk niet meer wat/ en ik ben vergeten tegen wie.’ Het zijn gedichten als mistflarden. Maar zo nu en dan trekken ze op en zie je iets dat je bekoort.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentRob Schouten
    Editie2017-3