Recensies

  • Garderobe, kleine zaal

    K. Schippers
    Garderobe, kleine zaal

    Ontsnapt aan de muizenval van de taal

    Het openingsgedicht van Garderobe, kleine zaal is thematisch exemplarisch voor de bundel:

    Je zit in de bus tegenover
    iemand en je denkt ’t is
    m’n spiegelbeeld.
     
    [...] je verspreidt je

    over anderen tot ze de last
    om er te zijn
     
    voor je kunnen dragen zoals jij
    me een keer zag en zei dacht dat
    ik het was.
     
    [...] anderen maken mijn geluiden,
    door hen word ik zichtbaar.

     

    Al kijkend verplaatsen we ons in wie en wat ons omringt. Soms verdwalen of verdwijnen we erin, gewild of ongewild. Daarbij is het belang van de zintuigen in deze bundel steeds onmiskenbaar, net als hun sterke onderlinge relatie. Neem het gedicht ‘Hozen in de regen’, waarin de blinde John Hull hoopt dat het eens zal regenen in de kamer, zodat hij kan horen hoe die eruitziet: ‘de lichtste geluiden, zo verschillend,/ je hoort ze met een hand voor ogen.’

    Garderobe, kleine zaal is een typische K. Schippers door die zintuiglijkheid van het werk, maar ook door de muzikale meertaligheid, de readymades en de lijstjes. De gedichten gaan in deze bundel bovendien verbanden aan met eerder werk waardoor ze des te sterker resoneren.

    Zoals in het gedicht ‘Een zandkorrel in een talkshow’, dat onmiddellijk ‘Zandkorrels op de radio’ in herinnering roept uit Een leeuwerik boven een weiland (1996). En het gedicht ‘Herstel van gewicht’ – ‘Een foto van de paperclip/ laat het gewicht verdwijnen.’ – doet denken aan het openingsgedicht ‘Gewicht’ van Tellen en wegen (2011) waarin het gewicht weliswaar niet verdwijnt, maar juist wordt toegevoegd: ‘Eens dacht ik dat een vel/ papier meer weegt als je/ er een streep op hebt gezet.’

    Je kunt de bundel zien als een garderobe, waarin gedichten als jassen zijn opgehangen. Het titelgedicht: ‘Garderobe, kleine zaal (fragment)’, bestaat uit vier pagina’s aan vestiairebonnen. Wie zijn vestiairebon kwijt is, kan niet meer bewijzen de rechtmatige eigenaar van de jas te zijn. Die gedachte komt andermaal bij me op tijdens het lezen van ‘Zoek’:

     

    Soms word je zelf een gat, kopie van m’n
    paspoort, zoek, dat ook nog, stuur

    het je wel, als ik besta tenminste,

    begin eraan te twijfelen.

     

    Zonder paspoort is het nog maar de vraag of je bestaat. Raak je het kwijt dan rijst er twijfel, kun je niets meer bewijzen. Het identiteitsbewijs bewíjst niet alleen aan de toezichthouder, maar blijkbaar ook aan de eigenaar zijn identiteit. Waar blijft een identiteit zonder bewijs?

    Zo wordt een jas zonder vestiairebon soms niet meer opgehaald. De jassen die op een kapstok achterblijven maken de afwezigheid zichtbaar van wie ze daar achterliet. ‘Ph. M. kunsthistorisch verklaard’ bijvoorbeeld, een gedicht voor Philip Mechanicus, de in 2005 overleden fotograaf en publicist. Of ‘Toevallige stappen’, voor Erik Menkveld, waarin het beeld van twee op elkaar aflopende mannen wordt bevroren en daardoor geldig blijft: ‘hij komt er altijd en eeuwig aan’.

    In het gedicht ‘In de buurt van planken’ vindt K. Schippers een oude brief van Leo Vroman terug. In 1989 verstuurd, nu teruggevonden en Schippers antwoordt: ‘hier ben ik dan, beetje laat, dat wel, schrijf je terug?’

    Eveneens aanwezig in afwezigheid is de in 2016 op 88- jarige leeftijd overleden Chaim Levano (pianist, hoboïst en avantgardistisch theatermaker): hij ‘kan niet naar Den Haag komen’, wat een prachtig en pijnlijk gedicht oplevert, waarin alles lijkt te gaan zoals het nu eenmaal gaat, het leven zijn loop, maar Chaim kan niet aanwezig zijn.

    Naast deze gedichten met hun eigen geschiedenis, zijn er ook de speelse lijstjes: van stijgende temperaturen, plekken waar de poes onlangs nog heeft gelegen of van woorden die beginnen met of eindigen op dezelfde lettercombinaties, zoals K. Schippers die eerder toepaste in Fijn dat u luistert (2014). Dit taalspel wekt hier en daar spannende suggesties, zoals in ‘bedr-’ waarin je onder andere de woorden bedrog, bedrijf, bedroefd, bedrukt, bedreven, bedreigd en bedrag kunt ontwaren. De vormverwantschap zet automatisch aan het denken over het bestaan van een betekenisrelatie. De woordcombinaties lijken welhaast vanzelf iets te suggereren, maar let op, elders wordt gewaarschuwd:

     

    loop niet
    
in de muizenval
    van de taal
     
    met kaas

    als de eventuele
    betekenis
     
    kaas op en je zit vast
    in wat je net
    
hebt gezegd.

     

    Liever niet te veel vastleggen, vastbinden, vastpinnen. Niet voor niets zijn de laatste woorden van deze bundel: ‘Onbesliste taal,/ undecided.’

    Het is typisch K. Schippers: de garderobe met (gedichten als) jassen, toch gebruiksobjecten pur sang, afkomstig overal vandaan. De liefhebber neemt gerust een duik in de diepte van deze stapel jassen, maar je kan ook dobberen, je gewoon laten drijven op het gedicht als ‘ding’, op het oppervlak, want juist daar is er van alles gaande, zoals in ‘Niet meteen kijken’: daar ‘zie je wat er/ bijna niet is’.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2017
    RecensentVicky Francken
    Editie2017-3