Recensies

  • ik hier jij daar

    Ghayath Almadhoun en Anne Vegter
    ik hier jij daar

    Geen lichaam is neutraal

    Kan kunst ons helpen om ons in te leven in de ervaringswereld van iemand anders? Om die vraag draait het in ik hier jij daar, een dubbelpublicatie van de Palestijns-Syrisch-Zweedse dichter Ghayath Almadhoun en Anne Vegter, voormalig Dichter des Vaderlands. Op de achterflap stelt Vegter de vraag of gedichten ons kunnen ‘leren ons te identificeren met ongevoelde pijn’. Blijven we als schrijvers en lezers niet altijd aan onze eigen ervaringswereld gebonden? Deze indringende bundel geeft een genuanceerd antwoord: natuurlijk kunnen gedichten ons geen ‘authentiek’ beeld van vluchteling- en oorlogservaringen geven, maar ze kunnen ons wel laten zien dat levens overal ter wereld met elkaar verknoopt zijn. De titel ik hier jij daar doet dan ook deels ironisch aan: zo’n gemakzuchtig onderscheid tussen ‘ik’ en ‘jij’ is onhoudbaar, terwijl ‘we’ tegelijkertijd altijd individuen zullen blijven die onherroepelijk op hun eigen belevingswereld teruggeworpen zijn.

    Almadhoun en Vegter treden met hun dubbelpublicatie in de voetsporen van andere Nederlandstalige duobundels (Duetten van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, Het boek Hauser van Annemarie Estor en Lies Van Gasse, Het riool van Arnoud van Adrichem en Jan Lauwereyns). Bijzonder aan ik hier jij daar is dat de dichters ieder een ‘eigen’ gedeelte hebben gekregen en een eigen vorm en toon hanteren, maar wel dezelfde thema’s aansnijden: het spanningsveld tussen oorlog en erotiek, en de verknooptheid van conflicten in heden en verleden.

    Terwijl Vegter vanuit personages of onzichtbare vertellers schrijft, staat Almadhouns ik-figuur dicht bij zijn eigen ervaringen: een man die geboren is in een Palestijns vluchtelingenkamp, in Syrië heeft gewoond en daarna naar Zweden is gevlucht. In het indrukwekkende prozagedicht ‘Schizofrenie’ beschrijft hij hoe deze ik-figuur de stad Ieper ervaart, ‘waar je je hand kunt leggen op de geschiedenis, die languit voor je ligt als een lijk, waar je de wond kunt aanraken om te ontdekken dat ze nog warm is als de tepel van een vrouw, die smelt tussen je lippen...’ Almadhoun is een meester in het creëren van zulke glasheldere beelden die abstracte verschijnselen (zoals hier de geschiedenis) concreet maken en die liefde en gruwel samenbrengen.

    Dat vermogen komt ook van pas om de ingewikkelde relatie tussen de ik-figuur en zijn Zweedse geliefde te verbeelden: terwijl Zweden ‘al tweehonderd jaar geen oorlog meer heeft gevoerd’, is de versplinterde identiteit van de ik-figuur sterk getekend door conflicten en herinneringen aan vluchtelingschap. Het leidt tot prachtige regels als ‘De huidskleur staat tussen ons in als een controlepost/ tussen de haven die de vrijheid importeert/ en de straat die loopt van de begraafplaats naar de slaapkamer’. Als Almadhouns poëzie één ding bepleit, dan is het dat grenzen fictief zijn. Heden en verleden zijn onontwarbaar met elkaar verknoopt, zeker voor de ik-figuur voor wie oorlogsherinneringen zeer levend zijn gebleven: ‘Het gas in de longen van hen die [in Ieper] zijn gestorven vermengt zich met het gas in de longen van hen die een eeuw later zijn omgekomen in de buitenwijken van Damascus.’ Aan de hand van Antwerpen, de stad ‘die zich voedt met bloeddiamanten’, laat hij bovendien zien hoezeer een Europese stad betrokken is in globale uitbuitingsprocessen.

    Vegter herschreef een aantal oudere gedichten en vulde dat aan met nieuw werk. Er zitten kortere, abstractere teksten tussen zoals ‘learn more’, waarin wordt beschreven dat niet alleen tussen, maar ook binnen personen conflicten kunnen woeden: ‘tussen de hersenhelften “schaap en wolf” snijdt de tijd mijn/ oorlog op maat’. De langere, vaak meerdelige gedichten ‘ondertussen in nederland’, ‘intussen’ en ‘halverwege de middag’ zijn meer verhalend van toon. Het eerste laat in drie delen zien hoe fictief het idee van een veilig Nederland is. Nadat we eerst een verzameling (klein)burgerlijke verbeeldingen van de Nederlandse witte buitenwijk hebben gezien, daagt het gedicht in deel twee ertoe uit een meer globaal perspectief in te nemen (van boven zie je dat er ‘meer water dan toeval’ is, ‘minder continent dan ruimte’)

    en lezen we in deel drie een nachtmerrieachtige beschrijving van een door terreur en geweld ontsporend Nederland. Volgens mij gelooft Vegter niet – zoals Roelof ten Napel wel suggereerde in een scherpzinnige beschouwing op het weblog Klecks (september 2016) – dat witte schrijvers of lezers via zulke gedichten een ‘reële’ indruk van vluchtverhalen zouden kunnen krijgen. Zij noch Almadhoun wil zich expliciet uitspreken over onrecht in de wereld. Wel laat ze net als haar medeauteur zien dat ieder mens, óók in Nederland, is ingebed in globale politieke conflicten. Het hoofdpersonage van ‘halverwege de middag’, een Duitse mannelijke sekswerker die slachtoffer wordt van het Duitse bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940, is juist daarom zo tragisch. Hij gelooft dat hij juist in zijn prostitutiewerk buiten de maatschappij staat: ‘mijn lichaam is neutraal’, ‘ik ben geen duitser beste vader’. Dat geloof in neutraliteit wordt in deze oorlogstijd bruut onmogelijk gemaakt. Ghayath Almadhoun en Anne Vegter laten in deze trefzekere, complexe bundel zien dat geen lichaam neutraal is, geen leven onaantastbaar.

    UitgeverJurgen Maas
    Jaartal2017
    RecensentLaurens Ham
    Editie2017-3