Recensies

  • Omeros

    Derek Walcott
    Omeros

    De droge lakens aan de lijn op Hectors erf

    Breek een vaas en de liefde waarmee je de fragmenten weer in mekaar zet is sterker dan de liefde die je voelde voor de vanzelfsprekende symmetrie van de ongebroken vaas.’ Het is 10 december 1992 als Derek Walcott van het Caraïbische eiland St. Lucia de Nobelprijs voor Literatuur ontvangt. In een van de fraaisteacceptance speeches uit de Nobelgeschiedenis verhaalt Walcott van een kort verblijf op het eiland Trinidad, waar de voorbereidingen worden getroffen voor een dramatische opvoering van het hindoe-epos Ramayana. Het ritme van de drums roepen voor hem India op.

    Maar – Walcott verbetert zichzelf meteen – ‘Waarom oproepen? Het ís India.’ Voor deze uit India afkomstige eilandbewoners is het verre India niet reëler dan het voor hem is. En daar begint Walcott met zijn levensgrote taak: in poëzie heden en verleden, dichtbij en veraf met elkaar te vervlechten. De grote verhalen van afkomst en verleden trek je met poëzie naar je toe. Op Trinidad zijn die grote verhalen aan de orde van de dag. Op St. Lucia ook. ‘Dat is de basis van de Antiliaanse ervaring,’ zegt Walcott in Stockholm, ‘dit scheepswrak van fragmenten, deze echo’s, deze scherven van een enorme stamwoordenschat, deze gedeeltelijk onthouden gewoonten, en ze zijn niet in verval maar juist krachtig.’

    In de Caraïbische Zee liggen meer dan 700 eilanden met hun veelzijdige achtergrond als gezamenlijke geschiedenis. Slaven, door de koloniale mogendheden buiten het blikveld van hun christelijke kindertjes gehouden, werden vanuit de binnenlanden van Afrika geronseld en in boten geladen die met handelswaar uit bijvoorbeeld Amsterdam waren vertrokken. Deze schepen voeren met de slaven naar de Amerika’s en de Europeanen bevolkten er kun koloniën mee. Op de plantages van Nederlanders, Engelsen, Fransen, Spanjaarden en Portugezen werd bijvoorbeeld suiker of tabak verbouwd, dat kwam in de derde etappe van deze handelsdriehoek terug naar Europa.

    The middle passage, de naam voor het traject van slavenboten vanuit Afrika, bleef cosmetisch buiten het bewustzijn van de Europeaan. De eilanden in de Caraïben vormden een handige overslagplaats. Op al die eilanden wonen nu nakomelingen van mensen van honderden stammen uit tientallen Afrikaanse landen. Naast hen wonen nakomelingen van de West-Europeanen, van Indianen die het vasteland verlieten op de vlucht voor geweld. Na de afschaffing van de slavernij kozen veel voormalig slaven van Noord- en Zuid-Amerikaanse plantages voor een leven op de archipel. De wanhopige plantage-eigenaren lieten in de 19e eeuw na de afschaffing nieuwe arbeiders overkomen uit Java, Libanon, China en vele andere gebieden. Sefardische joden die al te lang uitgekotst waren in Europa, kozen voor de diaspora. Al deze mensen namen hun religies, talen en gebruiken mee en pasten ze aan de lokale context aan. Welkom in de Caraïben! Dít is de vaas waar Walcott over spreekt. Dít is de wereld waar Walcott in 1930 geboren werd. Toen hij op de lagere school zat, was de slavernij korter geleden dan de Tweede Wereldoorlog nu voor ons.

    Han van der Vegt vertaalde voor uitgeverij Bananafish Walcotts grote epische dichtwerk Omeros. Omeros is ‘losjes gebaseerd’ op de grote epische dichtwerken van Homeros: Ilias en Odysseia. Maar in die losheid zit de enorme kracht van dit gedicht. Dit is geen slaafse hervertelling, maar de meesterlijke herneming van een groots thema. Dit is de kunstenaar die volledig wegloopt met een idee en het zich eigen maakt, in bezit neemt, omvormt. Zoals Joyce deed met Ulysses, zoals Thomas Mann deed met Faust.

     

    ‘Zo gaat het als we de kano’s kappen bij zonsopgang.’
    Philoctete lacht voor de toeristen die met hun camera’s
    zijn ziel pogen te vangen. Als de wind het nieuws brengt
     
    naar de laurier-cannelles, dan rillen hun bladeren
    zodra de bijl van de zon zich bijt in de cederschors,
    want ze zien in onze ogen het scherp al naderen.

     

    Zo begint Omeros van Walcott. Het gedicht voert ons langs het voornoemde eilandenrijk, maar ook door Afrika, Engeland, Nederland, de Dakota’s, Rome, Venetië en Istanbul, in deze eeuw en in de vorige, tot aan onheuglijke oertijden in de binnenlanden van Afrika. De grenzen worden geslecht door de hoofdpersonages: Achille, een visser; Hector, een chauffeur van een taxibusje; de oogverblindend mooie Helen, de meid van de Britse Majoor Plunkett en zijn Ierse vrouw Maud; Ma Kilman, de kroegbazin en tenslotte een ik-figuur.

    Helen draagt een gele jurk, het attribuut dat door de hele vertelling terugkomt. Philoctete heeft, net als zijn klassieke voorganger, een wond opgelopen. Op dit niveau moeten we de overeenkomsten zien tussen dit dichtwerk en dat van de Griekse blinde bard. Niet dat het vervolgens niet ritselt van de verwijzingen – het zijn er duizenden – maar als je op zoek gaat naar wie nu precies Nestor of Menelaos zou moeten uitbeelden, kom je bedrogen uit.

    Een minnestrijd tussen twee sterke mannen die dingen naar de hand van een prachtige vrouw, dat is Walcotts gegeven. Maar Helen is natuurlijk ook Walcotts geboorte-eiland St. Lucia, dat in de loop der geschiedenis afwisselend zeven keer in handen van de Britten was en zeven maal onder Franse vlag ressorteerde. Philoctetes verwonding is niet slechts die wond aan zijn scheen, maar ook de eeuwenoude verwonding van de slavernij. Is Omeros daarmee een puzzel? Voor wie van puzzels houdt wellicht, maar de grote en bedwelmende kracht van dit werk zit in zijn taalrijkdom, zijn ongelofelijk veelzijdige beeldgebruik. ‘De wind keerde de yambladeren als kaarten van Afrika’, ‘losse stammen wervelen door de branding, als krijgers uit een veldslag, verdoold geraakt aan een andere oever van de wereld’. Achilles komt in een storm terecht en we hebben bij Joseph Conrad noch bij Homeros, noch bij Melville, ooit zo’n epische storm meegemaakt. De lezer houdt zich in de wind van Walcotts metaforiek vast aan de gestage ritmes van zijn terzinen om het hoofd droog te houden.

    Kort erna loopt Achille in een droom door Afrika, ontmoet zijn voorouders, deelt in de riten van zijn stam en keert over de oceaan terug naar zijn eiland. Wat later, in een episode van de ik-figuur, zitten we bij de kapper, een eloquente heer van communistische snit die de gehele serie wereldklassiekers in zijn kapsalon heeft staan, misschien wel de plaats waar Walcotts dromen begonnen; zijn behoefte om zijn eigen realiteit te spiegelen aan grote verhalen. Weer later in dit enorme epos deinen we mee op een vergelijking van Homerische schoonheid waarin de zwarte draagsters de lading op hun hoofd via een schuine loopplank het schip op brengen, mieren gelijk. Zo’n beeld gaat pagina’s lang door en blijft je bij.

    Wat voor iemand moet je zijn als je 64 hoofdstukken wilt vertalen van elk drie delen van wisselende lengte, opgebouwd uit terzinen die veelal rijmen? Moedig, ijverig en een tikje monomaan. Han van der Vegt heeft dit onwaarschijnlijk goed gedaan. Al snel moet hij besloten hebben dat men geen meerdere meesters dienen kan; soepelheid en vertalen naar de geest van het gedicht én dichtbij het rijm blijven verdragen elkaar slecht. Van der Vegt heeft grotendeels de poging met Walcott mee te rijmen laten varen. Dat compenseert hij door een sterk gevarieerd vocabulaire, een zeer sterk begrip van de beeldende tekst en een goed oor voor Walcotts humor, een elementair bestanddeel van Omeros. Het is een geestig epos. De vertaler moet in zo’n tekst duizenden beslissingen nemen.

     

    As the fever of History began to pass

    like the vision of the island’s luminous saint,

    he saw, through the Cyclops eye of the gliding glass
     
    over wooden waves of a naval aquatint,
    
a penile cannon emerge from its ebrochure.
    Able semen, he smiled. He had gone far enough

     

    Nou, ga er maar aanstaan. Waag eens een poging voor u Van der Vegts oplossing leest.

     

    Toen zijn geschiedeniskoorts op haar einde liep
    zoals het visioen van de lichtende heilige van dit eiland,
    zag hij, door het cyclopenoog van de schuivende loep,
     
    boven de houten golven van een zeegezicht op een ets
    een fallisch kanon uit zijn geschutspoort opzwellen.
    Alle hengst aan dek, glimlachte hij. Het was welletjes.

     

    Van der Vegt levert 639 pagina’s van dit soort kwaliteit: gedurfd, beeldend, juist en met intens plezier bedacht. Als we er dan met pijn en moeite een kritiekpuntje uit moeten wringen – deze vertaling kent wat meer mooie woorden dan de tekst van Walcott. Ter compensatie van het rijm, maar toch, misschien soms een al te fraai vocabulaire.

    In de lezing die Walcott gaf in Stockholm, nadat hij vertelde over de Indiase uitvoering van een godenverhaal, gaf hij toe dat hij weliswaar de voorbereidingen meemaakte maar vervolgens op pad ging voor zijn eigenlijke doel: de ibissen van Trinidad zien. Walcott wordt niet moe de intense schoonheid van zijn Helena – de Antillen – te beschrijven, hij blijkt een liefhebber van vogels, vissen, schelpen, planten, bomen.

     

    Tegen de middag koerde ergens in de bomen een musduif, bleef
    als een vleugelhoorn of een jongen die op een fles blaast

    op een noot hangen met gekmakende, onvermoeibare kreten
     
    als de droevige keelzang van de nachtegaal, maar lager,
    maar voor Helen, die de droge lakens van de lijn

    op Hectors erf haalde, kwam het monotone klagen
     
    uit het gat in haar hart.

    Een heldenrol is weggelegd voor de gierzwaluw. Waar deze vogels volgens Homerosvertaler Imme Dros in de Odysseia drie keer voorkomen, is the swift een regelrecht motief in de Omeros. Zijn plezierige rijmklank helpt natuurlijk mee – vaak is er een lift of een gift in de buurt die zijn aanwezigheid verklaart – maar voor Walcott, de behendig Homerische dichter, betekent de zwaluw nog meer: de vogel verbindt de continenten door zijn trekgedrag, naait wolkenvlakken aaneen als een naaldsteek stof, vormt het kruis van Jezus in de lucht. In een eindeloos aantal beelden representeert de zwaluw de onnavolgbare dichter: Walcott die tijden en continenten verbindt en epossen aaneennaait tot een onvergetelijk geheel.

    UitgeverBananafish
    Jaartal2017
    RecensentMenno Hartman
    Editie2017-3