Recensies

  • Mudanza: een verhuisbericht

    Alejandro Zambra
    Mudanza: een verhuisbericht

    Geen grote uitweidingen in het proza vanochtend

    De grootste tragiek van het dichterschap in een klein land als Nederland, binnen de begrenzingen van een klein taalgebied, is dat er zo weinig is om je aan op te trekken; iedereen kent elkaar, iedereen kijkt naar elkaar. Er is een kleine top met dichters als Tonnus Oosterhoff, K. Michel en Eva Gerlach en een ruime middenmoot van dichters die hun beste tijd al hebben gehad of die ooit een ‘veelbelovend debuut’ schreven, maar de grote belofte die hen boven het hoofd hangt tien jaar later nog steeds niet hebben ingelost. Wel verschijnt van hen, met behulp van subsidies van Het Letterenfonds om de paar jaar een nieuwe ‘aardige’ bundel, die mettertijd steeds meer inwisselbaar is met de vorige. Van een jonge belofte zijn ze veranderd in dichters met buikjes en een vermoeide blik in de ogen die zichzelf al netwerkend tot het vaste meubilair van ieder poëziefestival in den lande hebben verheven. Iets dergelijks registreerde ook dichter en schrijver Alejandro Zambra (1975) in thuisland Chili. Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Om de mislukking helemaal compleet te maken, horen ze af en toe verkeerde signalen te ontvangen. Op hun vijftigste, of hun zestigste of hun zeventigste zullen de dichters twee of drie prijzen ontvangen(..)’ En: ‘Het lijken bange kinderen, pubers die al te oud zijn om zelfmoord te plegen,’ schijft hij in Tegen de dichters (I), één van de twee essays die achter in de bundel Mudanza (2003) is bijgevoegd.

    Meedogenloos is hij. Hij schreef het in 2008 met zijn eigen ervaringen als (kansloze) dichter in gedachten. Na twee dichtbundels stapte hij over op het proza (o.a. Bonsaien Mijn documenten) en kreeg hij internationaal succes. Toen dook het essay opnieuw op. Het kwam hem op een hoop weerstand te staan van de dichters die zich in hun hemd gezet voelden. De verdediging die hij in Tegen de dichters (II) opwerpt (satire, andere tijd, andere context), mag worden opgevat als een ironische, weinig serieus te nemen poging voor de Bühne. Zambra toont zich in de bescheiden (her)uitgave van Mudanza (een cyclus van zes gedichten) namelijk een verrassend goede dichter, maar wie weet is hij op de top van zijn kunnen met dichten gestopt. Hij wordt tot de generatie van de ‘Chileense Transitie’ gerekend die zich moet verhouden tot zowel de verschikkingen van de dictatuur van Pinochet (1973-1990) als de herwonnen vrijheid. Dit komt duidelijk in zijn gedichten naar voren.

    Mudanza (vert. ‘verhuizing’, ‘verandering’, ‘migratie’) begint onheilspellend: ‘Ze vroegen me hen dertig dagen/ vooraf in te lichten ze vroegen me het ten minste dertig,/ keer. Wie zijn ‘ze’? En waarom zijn ze zo dwingend?

    ‘Ze zeiden me dat ze gelijk hadden en ze hadden gelijk: zij is zwak en bleek, jij hebt/ een donkere teint en dat is alles wat er te vertellen valt (...) Of je blijft, zeiden ze me, en besluit te vallen/ – zoals de nacht – uitgeput met je hoofd naast/de voeten van de geliefde die slaapt zonder te weten (...)’.

    De protagonist heeft een keuze tussen gaan, ‘of je blijft en besluit te vallen als de nacht’. Een dergelijk ‘vallen’ is onvermijdelijk en onontkoombaar, zoals de dood. De dreigende toon en de niet nader gespecificeerde context, roepen in eerste instantie associaties op met dreigingen onder het dictatoriale regime. Die geliefde zou ook Chili kunnen zijn. ‘Ze’ zijn onvermurwbaar en worden tegenover een smekend ‘ons’ gezet: ‘Ontneem ons geen groet’, ‘Ontneem ons geen sigaretten’. Is dit een man in doodsangst of een man met bindingsangt, die zijn andere belangen (vrijheid) vooropstelt? Het kan nog alle kanten op. Als de bundel vordert lijkt het laatste aannemelijker. Mudanza is zowel verhalend als abstract, dat is tevens de grootste verdienste van de bundel. Dat de protagonist wordt opgejaagd is voelbaar: De toon is jachtig en het ritme van de prozaïsche gedichten dwingt het leestempo op te voeren.

    Na het eerste gedicht vangt een reis langs verschillende ruimtes aan: ‘zij reist urenlang en komt maar niet op haar bestemming aan’. En: ‘er wachten mensen met bordjes,/ met borden, ik was het niet’. Het is de vrouw die verwacht en de man die niet wacht. De man laat zich niet vastleggen, ook niet in zijn zinnen. Hij zegt: ‘iedere zoveel tijd begint datgene/ wat je nu ontkent opnieuw (...)’. En later: ‘af en toe begint/ datgene wat je nu ontkent opnieuw’. Hij besluit met: ‘ze vroegen me hen/ dertig dagen vooraf in te lichten, dertig/ keer zeiden ze me/ te vertrekken en niet terug te keren’ en laat de lezer in verwarde toestand achter. De bedwelmende sfeer die uit de cyclus opstijgt, blijft je echter nog lang achtervolgen.

    In interviews geeft Zamba aan zich meer dichter te voelen, maar zich beter uit te kunnen drukken in proza. Ergens staat een zinnetje: ‘er zitten geen grote uitweidingen in het proza vanochtend’. En dat kan alleen een dichter zeggen.

    UitgeverKaraat
    Jaartal2018
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2018-3