Recensies

  • Happy

    Sasja Janssen
    Happy

    Happiness alom

    ‘Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden/ of is het juist andersom?’ dicht Sasja Janssen in het titelgedicht van haar vierde bundel Happy. Welke invloed heeft de taal op ons handelen en op onze beleving? Zit geluk niet in de taal?

    In het openingsgedicht Ballade van de dichteres gooit Janssen haar worsteling maar meteenop tafel. Soms ontbreekt het haar aan taal, soms is haar taal te ingewikkeld voor de lezer en soms doet ze wat de lezer van haar verwacht: ‘ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte/ misschien geen poëzie,/ maar mijn troubles over taal verdwenen.

    Janssens poëzie heeft iets ‘onaards’. Haar gedichten zitten vol transcendentale perspectieven en perspectiefwisselingen. En ook in Happy  trekt ze zich weinig aan van begrenzingen van tijd en ruimte. Ze borduurt daarmee voort op haar vorige zeer oorspronkelijk en intelligente bundel; Ik trek mijn species aan. Daarin volgt ze de boeddhistische leer, waarin de weg naar de hoogst haalbare staat van verlichting, wordt afgelegd: als je nirwana hebt bereikt, ben je bevrijd van begeerte, hartstocht en waan en hoef je geen wedergeboorte meer door te maken. De verteller verkeert in een positie tussen leven en dood.

    Ook in Happy zoekt Janssen naar verlichting:
     

    In de bergen van Rucâr
    lag een dood hondje met brede bek en mager

    witgekookt lijfje, zijn maag leeggegeten. Het is te weinig
    keren doodgegaan om happy te worden, net als ik

    vraag ik teveel?  

     

    Een thema waar bladen als Happinez, meditatiecursussen en trainingen als ‘mindfulness’ gretig op inspelen. Misschien zijn we wel doorgeslagen in onze pogingen om ‘in het nu’ te zijn: ‘In de zomer horen wij in de zang van de krekel/ de kou over de bladeren komen./ We honen bij voorbaat zijn modieuze mindfuck van het nu’, dicht Janssen in Mindfuck. Ze stelt zich hyperbewust op. Ze is niet ‘in het nu’, ze is overal en nergens. De verteller raakt doordrongen van wat het betekent om mens te zijn, ze ziet toe op de mensheid en dicht:

     

    Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals

    een gedicht van zijn maker.

    Een camouflagetechniek, die met gemak aan te 
leren is
    De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles
    van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk
    bewustzijn heb.

    Het komt te dicht bij de dood.

    Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.
    Ik ben alleen wanneer ik mijn geluk herhaal.
    Hoeveel herhalingen heb ik nodig om te geloven
    dat ik mijn geluk herhaal?



    De bundel vraagt om een specifieke leeshouding. Je moet bereid zijn om verwachtingen los te laten en niet te zoeken naar houvast in de vorm van een eenduidige context of een helder vertelperspectief.

    In dat losgezongen karakter van de bundel zit de kracht, maar een enkele keer ook de zwakte van Happy. De dichter maakt het de lezer niet altijd even gemakkelijk, zoals in het gedicht Flatterzunge (een techniek voor blazers: het uitspreken van een r bij het uitblazen van de lucht, dit veroorzaakt een raspend geluid), waarin de lezer weinig houvast krijgt: ‘Met een jonge god onder ziekwitte lakens/ toen je hoorde dat jij het was/ en hij struikelde alle trappen af.’ Wie is ‘je’/’jij’/’hij’? ‘Je’ koopt een kalf, omdat ‘je’ niet meer bij de mensen terecht kunt en aan het einde van het gedicht is ‘je’ niet langer mens, maar ‘tong lippen tong’.

    Dichters moeten vooral verwarring zaaien, maar het wordt lastig op het moment dat een gedicht een verhalend karakter heeft, zoals Flatterzunge, en zowel vertelperspectief als context op geheel losse schroeven staat – dan heeft de lezer wel heel weinig in handen.

    De bundel bevat een aantal zeer lange gedichten, waar ik over het algemeen genomen niet gek op ben, omdat ik vind dat de kracht van een goed gedicht vooral tot uitdrukking komt als de taal zoveel mogelijk gecomprimeerd is. In Happy passen dergelijke gedichten wel, omdat Janssen zich lijkt te verliezen in de taal, waardoor de taal een meditatieve toestand lijkt uit te drukken. Het is moeilijk om hieruit te breken.

    Bijzonder aards is daarentegen de gedichtenreeks Ballade van een Alfahulp (1-4). Hierin laat Janssen haar oorspronkelijke taal schitteren: ‘Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere/ sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken/ die makkelijk vuurt, het moet meteen.’ Het gebruik van krachtige en eigenzinnige metaforen benadrukken het grimmige perspectief van de alfahulp die haar werk misschien wel tegen wil en dank doet: ‘Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar/ benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger,/ ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood.’

    In het slotgedicht beseft de protagonist dat ‘we zijn gekomen om te sterven’ en geluk komt na de dood. Ze refereert in Monkey aan het ironische ‘Een groot dichter’ van Kees Ouwens: ‘Toen strekte de dubbelgangster zich in mij uit./ Ik was compleet gelukkig, en ik besefte ik ben/ een groot dichteres nu’. De hele bundel komt samen, happiness alom.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2017
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2018-1