Recensies

  • As, vuur

    Hester Knibbe
    As, vuur

    De liefde voor het dwalen

    Hester Knibbe is het type dichter dat niet voorop hoeft te lopen, maar dat intussen rustig en zelfverzekerd doorschrijft aan een ambachtelijk, hecht poëtisch oeuvre. Tot dusver schreef ze meer dan een dozijn dichtbundels en ze won er belangrijke prijzen mee, waaronder de Anna Blaman Prijs en de VSB Poëzieprijs. Haar thematiek kenmerkt zich door Bijbelse mythologie, geboorte en dood, de mogelijkheden en grenzen van de taal, de mens en de wereld, afstand en verbinding.

    Het eerste deel van As, vuur bestaat uit mythologische schetsen die het midden houden tussen het Oude Testament en de primitieve mens van vóór de grote beschavingen. De 23 titels van de gedichten zijn de ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische taalfamilies met elkaar gemeen hebben. Knibbe wisselt haar verteltrant continu af (eerste of derde persoon, enkelvoud of meervoud, tegenwoordige of verleden tijd). Dit versterkt de tijdloze thematiek, de tijdloze stijl en het tijdloze karakter van haar gedichten. Knibbe thematiseert onderwerpen en vragen die in elke tijd en universeel spelen, gebruikt geen modieuze of stijlgebonden formuleringen.

    Het begint klein, bij het individu. Het eerste gedicht ‘Ik’, leest als een omgekeerde oerknal: de ik komt ‘vanuit een soort vergeten licht’ in het duister terecht ‘waarmee mijn ogen// geen raad wisten (...) Bleef zo lang in dat// donker tot het geen donker meer was/ maar schemer’. Ook de ‘ik’ krijgt een naam, ‘waarmee ik geroepen// afgewezen kon worden’. Roepen of afwijzen, verbinding zoeken of afstand scheppen; de personages in de bundel staan doorlopend in dat spanningsveld. Het gedicht ‘Moeder’ zoekt deze spanning op tussen de intieme zorg voor een kind en de machteloosheid dat het kind vroeg of laat toch verloren is (‘maar kan ze het/ redden?’, ‘En als het/ zich snijdt wie stelpt dan het bloeden?’). Die spanning wordt bijvoorbeeld ook in het liefdesgedicht ‘Man’ gethematiseerd.

     

    Stond met zijn rug naar mij toe

    keek naar aarde en hemel, mompelde
     
    iets als verlangen in meervoud. Maar wat
    moet ik daarmee, ik wil aanraken, wil
     
    een mens die mij enkelvoudig verlangt, daarmee
    iets doet en met mij. Dat zei ik hem ook en hij
     
    draaide zich om, kreeg een gezicht dat ik
    kuste op de mond. Toen begon er een taal
     
    uit zijn lichaam te stromen die ik
    beaamde, ja, zonder een woord.

     

    Bladzijde na bladzijde ontvouwt zich een tijdloze wereld van vóór de grote beschavingen, even herkenbaar als lang geleden, waarin alles waar we in deze eeuw intussen zo ervaren in denken te zijn, voor het eerst lijkt te worden gezocht, zoals een god in het gedicht ‘Gij’ en landbewerking in het gedicht ‘Bast’. De 23 oerwoorden vormen Knibbe’s talige basis van deze reeks, maar haar gestileerde gedichten maken van die oerwoorden een mythologie van de oertijd, waarin zij een blauwdruk voor samenleven construeert, met prachtige beeldspraak als ‘Vannacht was mijn lichaam een landschap’. Het eindigt met ‘Stromen’, als overgang naar het tweede deel dat over reizen gaat.

    Dat tweede deel bestaat hoofdzakelijk uit de lange cyclus ‘Leeftocht’, maar het opent met de korte reeks ‘Fit for hell’, over Orpheus, Sisyphus en Charon. Knibbe thematiseert in deze reeks vooral hun reizen. Pregnant is het titelloze gedicht dat over zichtbaarheid en verstoppen gaat. ‘Laat ik mij raden? Of laat ik mij kennen,...’, en: ‘Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid,/ en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo.’

    In ‘Leeftocht’ bespreekt Knibbe haar thema’s nu niet reizend door de tijd, maar door de ruimte: ‘Ook schoven we aan bij de mensen van het dorp./ Ze leken op ons met andere stemmen, klonken/ als vogels exotisch en wij vielen stom.’ Ook in deze afdeling spanningsvelden, in dit voorbeeld tussen afstand en verbintenis, en in een ander gedicht tussen wie je thuis bent en wat je daarvan op reis verliest: ‘En altijd reizen met ons de dingen, een leven/ gewoonten slepen we mee om wie we zijn/ niet compleet te verliezen.’ Sommige gedichten hebben iets notitie-achtigs, andere zijn bespiegelend, weer andere vieren het herkenbare van vreemde plekken.

    Is reizen zélf een bestemming, is het een beweging ergens naartoe, ergens vandaan, wil je ergens terechtkomen? Knibbe sluit de reeks af met de opmerking: ‘Waar je ook bent, men moet zich een huishouden maken.’ De ‘ik’ kijkt terug op de reizen, de plekken die zijn aangedaan, heeft zich in ‘tussen bergen en fjord’ genesteld en wacht op het noorderlicht.

    Het sluit mooi aan bij het motto van de bundel: ‘But a great love begins here, sometimes,/ with the sound of dry branches snapping in the dead forest’ van Yehuda Amichai. Niet alleen de liefde voor het dwalen is stuwend, maar ook de liefde zélf, die je misschien juist op één plek laat blijven.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2017
    RecensentRoel Weerheijm
    Editie2017-3