Recensies

  • Tot leven

    Michel Faber
    Tot leven

    Een oprechte hartenkreet, maar poëtisch wisselvallig

    Op het voorplat staan twee vingerafdrukken die samen een hart vormen, een zwart hart tegen een rode achtergrond. De kleuren van dood en liefde, een leven dat stopt en een leven dat doorgaat, vormen een mooie symboliek. Het blijken echter dezelfde (gespiegelde) vingerafdrukken te zijn. Het idee van twee verschillende vingerafdrukken, twee geliefden die samen een hart vormen, had voorplat en inhoud écht mooi samengebracht. Maar deze afbeelding kan ook de achterblijvende geliefde uitbeelden, die zelf weer een nieuw, heel hart moet maken, nu de ander is weggerukt.

    De autobiografische ontstaansgeschiedenis maakt Tot leven een riskante onderneming: juni 2014 overleed de vrouw van Michel Faber aan kanker. Faber schreef de gedichten om zijn verlies een plek te geven. Poëzie wordt wel vaker voor verwerking gebruikt en vindt wel vaker zijn weg naar publicaties. Een recent Nederlandse voorbeeld is het in 2010 gepubliceerde Doodsbloeivan Pieter Boskma, een sterke bundel vol vormelijke, emotionele verzen. Boskma kanaliseerde zijn emoties door ze geregeld af te zwakken of in te korten – het maakte ze uiteindelijk beter invoelbaar.



    Tot leven
    bevat echter een ander type poëzie. Waar Boskma zijn gedichten stilistisch strak regisseerde en zo van een dikke en thematisch uiteenlopende bundel een eenheid maakte, houdt Faber de vorm heel veel losser. Veel gedichten zijn parlando opgeschreven, ogenschijnlijk zonder aandacht voor vorm en poëtische merites.

    Faber, die van zichzelf aangeeft dat hij geen dichter is, blijft in Tot leven vaak in platitudes hangen die niet die aparte klank of betekenis krijgen, al moeten we ermee rekening houden dat dit deels aan de vertaling kan liggen. Die vertaling buiten beschouwing gelaten, is Faber mogelijk vanuit zijn sterke proza blijven denken en paste hij die prozaïsche ingevingen nu op kleinere schaal toe. Dus: minder en kortere zinnen, maar niet: ándere zinnen, ánder taalgebruik, woord- en klankbeslissingen die zich echt voor poëzie lenen.

    Illustratief is een van de weinige (en opzichtig) rijmende gedichten, ‘Konden we maar’. Het geeft opties voor ‘een mogelijke snelle dood voor wie daar niet op zit te wachten’. We lezen: ‘Of konden we je maar naar Westminster krijgen’, waar de morfinepomp onder de kleding van zijn vrouw verdacht zou blijken voor de politie, die ‘je in het tumult zonder pardon neermaaien’. Een idee dat in verhaal- of romanvorm erg goed kan werken, maar in deze poëzievorm een snel leeglopende ballon is: Faber gebruikt een narratief en beschrijvingen, maar die komen nauwelijks tot leven in deze kleine spanningsboog van amper tien regels.

    Er komt nog een aantal opties langs, en ook in het slot zinnen als: ‘Maar nee, wat we doen is wachten. Want elke spier neemt alle tijd voor zijn tergend traag verval. De afbraak van één bloedlichaampje duurt al met al een eeuwigheid.’ Zoals vaker gebruikt Faber ook hier een droge mededelingenstijl, mogelijk omdat het verdriet te groot is om direct een stem te geven. Maar deze stilistische omweg vind ik nauwelijks overtuigend, omdat het understatement, de voor deze distantie vaak zo belangrijke stijlfiguur, achterwege blijft.

    Elders memoreert Faber het dansen van zijn vrouw. Ze danste met vriendinnen, ‘vrouwen die ik graag zou hebben uitgenodigd voor je uitvaart’. Een prikkelende zin die interesse wekt door enkele open plekken. Maar dan worden alle open plekken uitgebreid ingevuld, zodat we begrijpen dat de ik, ondanks alle moeite, de vriendinnen niet terug kan vinden. Maar dit wisten we toch al. Vervolgens blijkt dat de ik zelf niet kan dansen en herinnert hij zich de vier keer dat ze samen gedanst hebben, gelegenheden die beschreven, maar niet ervaren worden.

    Er staan gelukkig ook sterke staaltjes poëzie in de bundel. Tot leven opent bijvoorbeeld met: ‘Er is geen god, maar laat ons naarstig blijven bidden.’ Elders, in een vliegtuig, ziet de ik bij de stewardess: ‘Om haar hals het slanke slangetje van een zuurstofmasker, dat zoveel lijkt op een infuus.’ Die terloopse zinnen die onuitgelegd blijven, zijn het sterkst. En ook Fabers beschrijvingen werken vaak beter wanneer ze ronduit confronterend zijn, of wanneer ze niet worden uitgelegd. In het gedicht ‘Zomaar op de vloer’ knipt hij haar laatste haarlokken weg en maakt haar daarmee ‘geslachtloos’. Een indrukwekkende strofe uit ‘Lucenties’, een gedicht dat de lading van woorden onderzoekt, luidt:

     

    En wie het woord ‘lichaam’ bedacht
    voor ons stoffelijk omhulsel werd niet
    geïnspireerd door tederheid of ontzag.
    ’t Is een wankel vehikel, dat woord,
    lachwekkend, ontspoord.

     

    En het gedicht ‘Rekeninghouder’ is puntig genoeg om de absurditeit van klantenservices succesvol te laten botsen met de dood van de geliefde. De ik moet een schriftelijk bewijs van de dood overleggen zodat de bankrekening kan worden aangepast. Het werkt omdat er (kleine) ruimtes worden opengelaten en tegengestelde situaties tegen elkaar worden gezet.

    Tot leven is een oprechte hartenkreet die poëtisch gezien wisselvallig uitpakt. De vraag is of die conclusie besteed is aan lezers van deze bundel. Bovendien, toen Roland Barthes zijn moeder verloor en hierover een rouwdagboek schreef, verviel ook hij geregeld in clichés. Misschien kan het niet anders.

    UitgeverPodium
    Jaartal2017
    RecensentRoel Weerheijm
    Editie2017-2