Recensies

  • Habitus

    Radna Fabias
    Habitus

    Krachtig kapitaal 

    Voor haar eerste bundel kiest Radna Fabias (1983) de titel Habitus; het blijkt een veelzeggende en uiterst trefzeker gekozen benaming. Niet zozeer vanwege de op de achterflap aangekondigde zoektocht naar wat ‘thuis’ is, want het werk doet zich niet in de eerste plaats voor als een fysieke of metaforische plaatsbepaling. Veeleer lijkt Fabias’ debuut een nietsontziend, zintuiglijk verslag van menselijke manifestaties, handelingswijzen en opvattingen.

    Welnu, habitus: in de plantkunde de Latijnse aanduiding voor ‘uiterlijke verschijningsvorm’. Fabias onderwerpt niet alleen de haar omringende wereld aan een kritisch onderzoek, maar legt ook zichzelf onder een vergrootglas. Het openingsgedicht ‘wat ik verstopte’, geeft een caleidoscopisch beeld van de Caribische geboortegrond van de dichter; stoffige velden, hitte en herrie:

    velgen

    de onberispelijk opgepoetste in de zon glimmende velgen
    te groot en te duur voor de wagens waaronder ze draaien
     
    de geblindeerde ruiten van de auto’s met de glimmende velgen

    (...)
    de explosieve bassen uit de in de kofferbak geïnstalleerde subwoofer

     
    Het is een pagina’s lange dialoog, waarin de rechts uitgelijnde regels de eigen observaties becommentariëren en impliciet meteen als stereotiep kwalificeren. En daarmee ook de vooringenomen opvatting van de lezer, die de geschetste typering als treffend heeft ervaren. Op dezelfde wijze geeft de dichter in het gedicht ‘inspectie bij aankomst’ ironisch commentaar op haar eigen uiterlijk, door haar neus als ‘nadrukkelijk etnisch’ te bestempelen en haar billen als ‘relatief rond – minder massa dan de bloedlijn doet verwachten –’.

    Fabias maakt gebruik van cinematografische middelen om haar werk vorm te geven. In de drie delen, met de titels ‘uitzicht met kokosnoot’, ‘rib’ en ‘aantoonbaar geleverde inspanning’, verwerkt ze consequent filmische elementen, door termen als montage, frame en scène te hanteren. Het zorgt niet alleen voor samenhang tussen de delen, maar de suggestie van een camera die tussen de auteur en de lezer schuift, geeft ook een spannende wisselwerking tussen lyriek en afstand.

    Behalve met het begrip habitus als verschijningsvorm, hebben we bij Fabias te maken met de Bourdiaanse uitwerking ervan. In de veldtheorie van Bourdieu verwijst habitus naar het systeem van waarnemen, denken en handelen dat de mens onbewust ontwikkelt om zich staande te houden in zijn eigen sociaal-culturele omgeving. Radna Fabias onderzoekt in Habitus uitdrukkelijk de ambigue positie van de migrant, die zijn sociaal-culturele omgeving niet als eenduidig ervaart.

    Daarnaast wordt het ingenieuze stelsel van belangen en waarden blootgelegd, waar ze zich als vrouw en als dichter aan onderworpen voelt. Ze weet het symbolisch kapitaal in het literaire veld te hanteren. Door de drie delen van haar bundel vergezeld te laten gaan van citaten uit het werk van Bert Schierbeek, uit Die Hamletmaschine van Heiner Müller en uit een songtekst van The Notorious B.I.G., zet ze zichzelf feilloos neer. De witte Nederlandse dichter, het Ophelia-personage uit Hamlet en de zwarte rapper; daartussen positioneert ze zichzelf ‘precies/ op de gele streep waar ik thuis ben/ in het midden van de weg’.

    Fabias roept echter ook een andersoortig, fysiek kapitaal op, bestaande uit een ruime keuze aan boze geesten en ‘(over)grootmoederlijk advies’, duiveluitdrijving en wraakzucht. Ze is sterk in haar analyses van de dienstbare houding van de vrouw, ‘ik moet doorzichtig worden zodat hij ook door mij heen kan kijken’ en zich in het torso van de man nestelt ‘zodat hij zijn rib niet meer mist’. Zij is zowel afgeleide van de man, als afhankelijk van maatschappelijke normen:

    tuit je lippen niet langer dan twee seconden
    maar tuit ze wel
    kort
    krimp
    kleiner
    ho
    niet te klein
    je moet wel zichtbaar blijven

     
    Hier toont zich de slangenkuil van de sociale erkenning die ook op de voorgrond staat in het slotgedicht ‘aantoonbaar geleverde inspanning’, wanneer het scala aan twijfelachtige vaardigheden benoemd wordt, dat de aspirant-Nederlander ten toon moet spreiden, zoals ‘tijdens de winter overdag wakker blijven’ en ‘fietsen met een paraplu in de hand’.

    Fabias’ fysieke, vrouwelijke zelf, ingeklemd tussen twee culturele werelden: een ongemakkelijke middenpositie, ‘de verlatenheid van grensgebieden’, die de auteur nadrukkelijk thematiseert. Ze plaatst de afdeling ‘rib’ tussen de terugkeer naar haar Antilliaanse achtergrond enerzijds en de acceptatie in de wereld van ‘platte, rechte landschappen’ anderzijds. De dichter verwoordt zelf de grondslag voor haar poëtica: ‘de winter heimwee fictieve uitzichtloosheid en het onvermogen mijn culturele achtergrond uit mijn identiteit te peuteren’.

    Radna Fabias heeft deze overtuigende debuutbundel zorgvuldig gepolijst. Het levert een verrassende en onderzoekende bundel op.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2018
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2018-2