Recensies

  • Leger

    Mieke van Zonneveld
    Leger

    Tussen Apollo en chemotherapier

    In een tijd waarin het internet en de maatschappelijke actualiteit steeds grotere invloed op poëzie lijken uit te oefenen, doet Mieke van Zonnevelds debuut Leger een beetje ouderwets aan. Dat zit vooral in de traditionele onderwerpkeuze: Van Zonneveld (1989; winnaar van de Turing Poëzieprijs in 2014) put geregeld uit klassieke mythologie en de Bijbel. Zo voert ze Catullus- en Gorter-citaten op als motto’s en verwijst naar Slauerhoff. Leger heeft zeker iets neoromantisch en -classistisch. Van Zonnevelds benadering doet denken aan de Tachtigers en de door hen bewonderde Engelse romantici die mythologische figuren opvoerden als manier om het over de eigen emoties te hebben. Van Zonneveld lijkt geregeld eenzelfde procedé toe te passen, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Apollo’. De gelijknamige Romeinse god werd vereerd omdat hij redding kon brengen, al kon hij ook straffen. Van Zonnevelds versie van hem heeft ook dat dubbele:



     

    Apollo zegt

    ‘ik ben een god van vrede. Ik leg een raamwerk
    
over de chaos waarop jij je panisch gestaard hebt.

    Je bent een tollend meisje en ik de totem waarrond.
    Ik zet ordentelijk uiteen welk spoor je hoort te volgen’
     
    maar ik sla tomeloos op hol en draaf mezelf
    
een duizeling, vanbuiten kalm, onstuimig binnenin.

     

    Het is niet moeilijk dit gedicht te plaatsen in een – autobiografische – context die een belangrijke rol speelt in Leger. Bij Van Zonneveld werd op haar 21e acute leukemie geconstateerd, waarvan ze inmiddels is genezen. (Deze) ziekte speelt een belangrijke rol in de bundel; gemystificeerd en impliciet zoals in ‘Apollo’, maar ook expliciet: een van de gedichten heet zelfs ‘Acute promyelocytenleukemie’. Van Zonneveld schrijft – zeker vergeleken met de mythische versluieringen waar ze vaker voor kiest – in dat gedicht behoorlijk direct over het ziek-zijn. Ze heeft het over de ‘feloranje [...] vloeistof in dit zakje’, pillen en ‘Ik ben zo godvergeten ziek.’ Dat laat ze botsen met wat ‘klassiekere’ formuleringen, zoals ‘dit bange vallen wordt maar beter niet alleen beleefd, één/ vingerknip en weg ben ik, zolang als het toeval het beschikt.’ Zo ontstaat een indringend spanningsveld tussen mythe en realiteit; tussen de impliciete toespeling op de schikgodinnen en de expliciete ziekenhuisscènes – een dissonant in het neoclassicisme.

    Die dissonant is zeker welkom, want Leger neigt er meer dan eens naar een ouwelijke bundel te worden. Van Zonnevelds gedichten hebben een zekere vormvastheid: ritmisch, met opvallend binnenrijm. Dat levert een sterk muzikaal karakter op, maar tegelijkertijd wordt het wat ouderwetse taalgebruik geaccentueerd. Je moet kunnen tegen regels als ‘Een ander evangelie/ zag het licht. Het stof stoof van mijn dagen en gemis// bleek te vertalen.’ Ook is het even fronsen bij een woord als ‘liefdesledikant’ – dat kan echt niet meer, zou je denken.

    Van Zonneveld is op haar best als ze het aards en rauw houdt, zoals in het indringende ‘Veldslag’, waarin religie en ziekte tegenover elkaar staan. De titel verwijst naar het beeld van de witte bloedcellen die samen een leger vormen dat ooit beschermde, maar ‘vandaag een staatsgreep [pleegt]/ in mijn beenmerg.’ Er wordt teruggekeken op de vroege jeugd, waarin de 'ik' een christelijk slaapliedje zingt: ‘Here, houd ook/ deze nacht’, begint het, maar God lijkt al verdwenen als ze zingt: ‘En ik ga slapen. Ik ben moe./ Ik sluit mijn beide oogjes toe'. De regels van het slaapliedje lijken gericht aan een ‘commandant in een witte jas’ die vertelt over de ‘veldslag winnen [...] met chemotherapie.’ Op zulke momenten grijpt Leger echt aan, zonder melodramatisch te worden. Hopelijk verbergt Van Zonneveld zich in een volgende bundel dan ook minder achter mythologische stof.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentMaarten Buser
    Editie2017-2