Recensies

  • Stad van liefde

    Jabik Veenbaas
    Stad van liefde

    Stel je bent een bunker

    In het gedicht ‘De ouden’, ergens halverwege Stad van liefde van Jabik Veenbaas, kijkt de dichter vanuit een café naar buiten. Daar ziet hij een bejaard echtpaar (‘twee ouden’) moeizaam de straat oversteken. Als dat gelukt is, ziet hij ze zichtbaar tevreden tegen elkaar mompelen: 

    wat ze zeggen kan ik niet horen

    omdat het daarbuiten stil geworden is
    auto’s rijden geruisloos, scooters zwijgen
    in steeds dichter vallende sneeuw

     
    Het gedicht is een mooie staalkaart van zowel de kwaliteiten als de tekortkomingen van deze bundel. Tot de kwaliteiten van dit gedicht zou ik het heldere taalgebruik rekenen, de liefdevolle manier waarop de dichter het echtpaar observeert en de manier waarop hij de buitenwereld stil schrijft. Daar staat een nogal clichématige beschrijving van het oversteken tegenover (‘het is een voorzichtig/ gezamenlijk zoeken naar evenwicht’), en het gegeven dat het onnadrukkelijke van deze regels wat wordt overdreven: het tafereel ontstijgt het triviale ternauwernood.

    De laatste strofe van dit gedicht maakt het tafereel religieus. De dichter wijst erop dat nieuwe gasten van het café hun schoenen uittrekken (vanwege de sneeuw?); de dichter staat op en prevelt een gebed: ‘iets waar niemand zich nog over verbaast’. Vreemde regels. Ik heb nog nooit mensen op hun sokken het café binnen zien komen en ook is dat (kennelijk hardop) prevelen van een gebed merkwaardig. Maar in de context van het gedicht werkt het: het tafereel stijgt boven de alledaagsheid uit en wordt een gebeurtenis.

    De methode die Veenbaas in ‘De ouden’ hanteert, is zoals gezegd exemplarisch voor zijn werkwijze. Stad van liefde is een bundel waarin een breed scala aan onderwerpen wordt behandeld. Naast dagelijkse observaties als in ‘De ouden’, schrijft Veenbaas over jeugdherinneringen, Marilyn Monroe, ‘De heilige familie’ van Rembrandt, diverse steden, een schaatser, Texel, een concert van Leonard Cohen, enzovoorts. Hoewel de gedichten op de achterflap als ‘liederen’ worden gepresenteerd, hanteert Veenbaas consequent een kalm parlando.

    Zoals de titel al aangeeft, is het concept ‘stad’ het verbindende element. Opgevat als samenvoeging van gewaarwordingen en gedachten zou je de bundel zelf als een ‘stad’ kunnen opvatten. De gedichten zijn opgebouwd uit ‘liefde’. Ook volgens de achterflap is Stad van liefde een bundel waarin de dichter zijn liefde voor het leven belijdt.

    In de gedichten waar de stad expliciet een rol speelt, wordt opzichtig gebruik maakt van personifiëring. Soms werkt dat wel: ‘de stad is een dier, net als ik/ hongerend naar de borsten// van de dames in de ramen’. En: ‘nu wacht de stad gelaten/ in haar oude, zwarte grachten’. Maar soms maakt hij hiermee het beeld juist onhelder: ’s zondags over het plein met hoed en sigaar/ wandelt de stad als een vader’.

    De stad wandelt over het plein? In bijvoorbeeld ‘Atlantik- wall’ wordt het stijlmiddel ronduit onhandig ingezet en begint de dichter plompverloren met een ‘stel je bent een bunker’. Het leven dat Veenbaas in zijn bundel bezingt wekt in het algemeen toch al een erg onproblematische indruk, maar hier wordt het wel heel erg ‘niets-aan-de-hand’.

    Jabik Veenbaas is de dichter van het ‘alledaagse’. Hij gaat uit van hetgeen we in ons dagelijks leven gemakkelijk over het hoofd zien en probeert dat boven zichzelf uit te tillen. Dat beheerst hij. De bescheiden manier waarop hij in Stad van liefde de taal behandelt, werkt echter tegen hem. Wanneer hij zijn beelden raak beschrijft en doelgericht inzet, begint het in de gedichten te leven. Als dat niet het geval is, zijn de gedichten krachteloos en tam. Dat zijn ze in deze bundel iets te vaak.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2017
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2017-2