Recensies

  • Finisterra

    Chus Pato
    Finisterra

    De taal van de beesten

    Wie de Spaanse streek Galicië kent, heeft bij de titel van de bundel Finisterra meteen een beeld voor ogen: de grillige rotspunt Cabo Finisterre, voor velen het einddoel van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Grilligheid kan de poëzie van auteur Chus Pato (1955) niet ontzegd worden, doelgerichtheid evenmin. Haar werk verschijnt in het Galicisch – de keuze voor een minderheidstaal, inherent aan haar activisme voor de autonomie van Galicië. Pato is met meer dan tien verschenen bundels, waarvan er enkele bekroond zijn en vertaald in het Engels en het Castiliaans (standaard Spaans), in Spanje een gekend dichteres.

    In vijf afdelingen biedt Finisterra een keuze uit Pato’s laatste bundels. De bloemlezing toont een overvloed aan registers en vormen; de dichteres lijkt te willen bewijzen dat de taal, háár taal, alles kan. Anne Vegter spreekt in het nawoord van een ‘leestrip’. Er zijn dicht geschreven prozagedichten die de regels en de pagina’s volledig vullen, als een in opwinding neergeschreven gedachtestroom. Andere, meer fragmentarische gedichten zijn ingedeeld in onregelmatige strofes. Nu eens kiest de auteur voor cursieve letters, die ze ‘bruidsletters’ noemt, dan weer thematiseert ze door het gebruik van kapitalen de rol van het kapitaal, als ze stelt: ‘in het KAPITAAL veranderen de scheppers van de Taal, de sprekers, in/ CONSUMENTEN’. Toch brengt deze overrompelende pluriformiteit geen onsamenhangendheid teweeg. Door de taal, de poëtische taal, centraal te stellen, voert Pato ons steeds terug naar de kracht van poëzie, ‘een gedicht/ het hardste van een taal/ een piepkleine dolk/ die weerstand biedt’.

    In de mengvormen die Finisterra ten tonele voert, poëtisch proza, dialogen, een dissertatie, een pamflet, resoneert de taalkundige hybriditeit van de Galicische samenleving. Toen Pato opgroeide, was het Galicisch verboden – de taal werd alleen in huiselijke kring gesproken. Ze kiest dan ook meermaals voor de dialoogvorm, door middel van een theatertekst, een interview of een tweegesprek. Of zelfs enkel een cynische mededeling, zoals het uiterst korte gedicht ‘Dialoog’, dat ze tussen aanhalingstekens plaatst:

     

    ‘in de taal van de beesten
    meneer
    
in die taal

    schrijf ik’

     

    Een verwijzing naar de tweespalt tussen het Castiliaans, de taal van het officiële leven, en het Galicisch, lange tijd alleen gesproken op het platteland.

    Taalactivisten als Pato spannen zich in voor de emancipatie van de Galicische literatuur door te kiezen voor genres die met hogere cultuur geassocieerd worden. Ook bínnen haar werk is een dergelijke tendens te bespeuren: talrijk zijn de verwijzingen naar mythische figuren uit klassieke tradities, Aphrodite en Euridice, Penthesileia en Achilles, Noach en Toetanchamon – en dat is slechts een keuze uit de eerste vier pagina’s van de bundel. Alsof ze met terugwerkende kracht voor haar cultuur een plaats afdwingt binnen de klassieke historie. Maar daar blijft het niet bij. Ook voor zichzelf eist de auteur een plaats op, in het literaire universum: tussen Hölderlin, Lucretius en Vergilius, Benjamin en Mallarmé, Sylvia Plath en Angela Carter.

    Met het gedicht kan Pato verloren gegane geschiedenis herwinnen, de sporen terugvinden van haar cultuur. De ruïne, gelijktijdig metafoor voor historie en voor verwoesting, is een terugkerend thema in haar werk: ‘op een ruïne tekent Geschiedenis zich duidelijk af’. Het beeld van de ruïne stelt impliciet aan de orde hoe de Galicische traditie al sinds de vijftiende eeuw onder de voet gelopen wordt door de Castiliaanse, want ‘we hebben hier bijna geen ruïnes’ en ‘als we ruïnes hadden, zouden we een geheugen hebben’. Tegelijkertijd is de ruïne het symbool voor teloorgang en gevoelens van vervreemding, ‘ik heb een hoofd vol ruïnes’.

    De Galicische dichteres schetst zichzelf als een ridder, met ‘als enige gevest mijn hand’ en ‘als embleem de wind’. De stem, het symbool voor het gesproken woord, soms slechts uitgedrukt in de woorden ‘wind’ of ‘adem’; de hand is de metafoor voor het schrijven, ‘de polsslag van de taal’. Verder zet ze de verbeelding vooral aan het werk met associatieve, fragmentarische composities. Het thematische werk van Pato steunt niet op taalgebonden beeldspraak; mede daardoor is de Nederlandse vertaling sterk en overtuigend, ook voor lezers die niet op de hoogte zijn van de Spaanse taalpolitiek.

    Voor Pato is alles geoorloofd, zoals gebruikelijk in tijden van liefde en oorlog. Ze maakt een uitgesproken keuze voor haar geliefde taal, maar ook voor de taal als anarchistisch wapen. Veelzeggend is de onvertaald gebleven titel van één van de bundels waaruit Finisterra is samengesteld, Hordas de escritura. Het is een lastig woord, escritura, aangezien het niet alleen de daad van het schrijven maar ook het product, het geschrevene, aanduidt. En dan de horde, volgens Van Dale een ‘ongeordende, rumoerige massa’. Zo geeft Hordas de escritura, al is het onvertaalbaar, precies de intentie van Chus Pato weer: ongebreidelde, tomeloze energie, fragmentatie, hybriditeit en pluriformiteit, luidkeels een plaats opeisen voor haar eigen taal, de taal van het gedicht. Het maakt Finisterra tot een meeslepende bundel.

    UitgeverPerdu
    Jaartal2017
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2017-2