Recensies

  • Nachtroer

    Charlotte Van den Broeck
    Nachtroer

    Vingers druipende polsen

    Wie de numerieke acht een kwartslag kantelt, blijft achter met de lemniscaat, symbool voor eeuwigheid, maar ook voor de onontwarbare kluwen van ons altijd tegelijk stoffelijke en geestelijke bestaan. Het is algebra voor neoplatonistische enthousiastelingen. En voor dichters die rouwen om een verloren liefde. Dat laatste is de inzet voor de serie gedichten waarmee Nachtroervan Charlotte Van den Broeck opent onder de titel ‘Acht, °’. In acht Romeins gecijferde terug tellende gedichten verhaalt ze van een relatie, beginnend bij de herverdeling van de eigendommen en eindigend bij twee bronstige lijven in het gras.

    Het lichamelijke is in deze gedichten, als elders in de bundel, alom aanwezig. Veel is sensitief in dit werk of handelt over een soms juist ongewenste sensitiviteit, zoals in het eerste gedicht in de serie, ‘VIII’:

     


    [...] je vraagt nog:

    welke vogel stak ook weer de snavel in zijn eigen borst?
    ik kan niet op de pelikaan komen
    
weet nu dat rouw begint bij het stoten van de elleboog
    en doortrekt tot in de vingertoppen

    om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven

     

    In het laatste gedicht, ‘I’, wordt op diezelfde sensitiviteit vooruit- dan wel teruggeblikt als Van den Broeck schrijft dat ‘hij haar hand alvast moet loslaten opdat het went/ voor later, wanneer ze elkaar enkel nog per ongeluk en met ongemak/ zullen aanraken’. De ‘Acht’ uit de titel correspondeert met het aantal samen gespendeerde jaren en het aantal gedichten, die samen een dreigende eeuwigheid beschrijven, lijkt de dichter te willen suggereren. Dreigend, want als de toekomstige aanraking lijkt ook de herinnering voortaan ongewenst. Vandaar wellicht dat de eerste woorden in ‘VIII’ luiden: ‘niet overhellen’. Alsof het onvermijdelijke kantelen van de acht alsnog bezworen moet worden.

    Doet het sensitief-lichamelijke aspect van de bundel zich hier nog vooral voor in de herkenbare verpakking van relationele verwikkelingen, elders wordt de lichamelijke metaforiek surrealistischer en meer fluïde. In het gedicht ‘Snede’ vermengen landschap, tijd en lichaam zich tot één onontwarbare brij: ‘uit mijn polsen druipen vingers’, schrijft ze als het heet is en een strofe verder wordt gesproken van ‘de vloeibare stip die mijn aarzelend lichaam per ongeluk is/ op de foto’s van andere mensen’. Tegelijkertijd wordt de kaart van Parijs omspannen door ‘een papieren huid’, met vouwlijnen die bollen ‘als een ruggengraat die gebogen door een T-shirt prikt’ en is de voorstelling van tijd iets dat ‘rond een pols past’. Verderop in de cyclus treft ze ‘de linkerhelft van een vrouw/ ze weet niet waar ze is gebleven/ maar het is goed zo, zegt ze/ een mens kan zich verzamelen in zijn doorsnede’.

    Ook zelf is ze maar half en veranderlijk. In een stad vol ‘kosmopolieten en drenkelingen’ vermengt ze zichzelf beurtelings met hen ‘voor de helft’.

    In het hoogtepunt van de bundel, het lange gedicht ‘Wit’, krijgt dat lichamelijke vermengen met de aardkorst en geschiedenis een radicaler en mystieker accent. Ook hier een spel met tijd. Als het ‘lichaam in onderpand/ in de zachte centimeter’ in het matras wegzakt gaat dat vooraf aan het moment dat ‘de eerste vissen weer uit het water’ kruipen. Alsof de hele evolutie zich dagelijks opnieuw voltrekt. En terwijl Mendelejev in de verte aan zijn periodiek systeem werkt, worden in één zin de wederkomst en de ‘totaal witte kamer’ van atheïst Kouwenaar er achteloos bij getrokken: ‘we zullen alles kennen, opnieuw en opnieuw de kamer wit verven’. Dat is nodig ook, want de muren zijn van vlees in ontbinding en ogen bevlekken het plafond. Alles is vloeibaar en ‘niets// staat lang genoeg stil om met zichzelf te versmelten’. De toon is in al dit lucide dromende morfologische geweld somber, want ‘alles is dun en alleen maar’ en ‘er is geen geheel geen diepte geen rand’. Niets helpt; ook het ontwaken niet want ‘nog voor de ochtend word ik een kloof, een barst/ in een genadeloze bodem’. Ergens in die barst verdwijnt het lichaam dat alles omspande want in de slotstrofe lezen we: ‘ik ben een plek die er niet is/ een plek waar licht zich doorheen wringt’.

    Op haar jonge leeftijd is Charlotte Van den Broeck een dichter die de grootse beweging niet schuwt en er bovendien vaardig mee wegkomt. Dat levert indrukwekkende poëzie op.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2017
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2017-2