Recensies

  • Ja Nee

    Tonnus Oosterhoff
    Ja Nee

    ‘In greppels en holen wachten de verbanden’

    De titel Ja Nee roept in het licht van huidige politieke ontwikkelingen direct associaties op met een referendum. Dat de beide begrippen op het omslag elkaar spiegelen, versterkt de indruk dat de lezer stelling voor of tegen moet innemen. Na zes dichtbundels weet je bij Oosterhoff echter dat dit niet het geval kan zijn en dat verwarring je te wachten staat. Het zoeken naar een logisch verband zal alleen maar op frustratie uitlopen, zoals dit korte gedicht uit Ja Nee aankondigt:

     

    Een boom valt op een dak
    nooit zomaar

    maar ook nooit met een reden





    Dit lijkt een commentaar op de bekende uitspraak van W.F. Hermans dat er in de roman nog geen mus van het dak kan vallen zonder dat het een gevolg heeft. De poëzie van Oosterhoff is eerder omzwervend, zoals de bewakingscamera’s uit het tweede gedicht die registreren ‘maar verzuimen te omschrijven’. Of zoals de ik-figuur uit het titelloze gedicht ‘Wat knijpt daar samen?’, die wandelt in het licht met Jezus (komisch merkt hij op ‘zelfs mijn poepgaatje is niet meer bruin’) en zich plots realiseert: ‘Alles schijnt aan me en door me (heen)./ Zonder kleren zou ik onzichtbaar zijn.’ De vorm wordt gegeven door de ruimte eromheen. Woorden en zinnen zijn uitsparingen, ze stellen iets aanwezig dat altijd afwezig blijft. Het is dan ook de omliggende ruimte die Oosterhoff aftast.

    Waar bestaat die ruimte uit? De radiotelescoop staat open, verschillende stemmen vallen binnen bereik: persoonlijke en politieke overdenking, religieuze en alledaagse conversatie, kinderlijk gestamel en volwassen reflectie. We lezen anekdotes, dialogen, registraties en heel af en toe iets wat op een verhaal lijkt, zoals het gedicht over de jongen die aanbelt om eieren te verkopen (wat een verleden van pesten oproept bij degene die de deur opent); of over de mannen in het dok (gevaarlijk werk, ‘in slaap vallen is dodelijk’); of over een veertienjarig meisje in oorlogsomstandigheden die voor een maand huur zwanger raakt van een grijsaard.

    Als een donkere ondertoon klinkt steeds het thema ‘ouder worden’ door in de gedichten. Iemand kijkt met verbazing naar het veranderende lichaam (‘Ik voel aan mijn papierige billen’); heeft last van een haperend geheugen dat direct neerslag heeft op het taalgebruik (een geliefd thema van Oosterhoff, getuige zijn verzamelbundel Hersenmutor); constateert een kloof tussen jong en oud of een afstand tot het eigen verleden; een uiterst cru voorbeeld daarvan vormen de openingsregels van het gedicht volgend op het gedicht over het veertienjarige meisje: ‘Ach we waren destijds/ nog slank genoeg om/ zelf te verkrachten (...)’.

    Dit voorbeeld maakt tevens de associatieve logica zichtbaar, een ‘toevalspatroon’ zoals het in de bundel heet, die de gedichten bindt. Korte tekstfragmenten duiken een tweede keer op, wat een verband doet vermoeden, maar bij nader inzien heeft zich steeds een kleine mutatie voorgedaan.

    ‘Incoherent als een droom’ wordt ‘Incoherent als in droom, onvoorspelbaar.’ En ‘Ver weg komt van twee kanten,/ dichtbij komt van twee kanten’, blijkt even later ‘Ver weg van twee kanten,/ dichtbij van twee kanten’. Zoals vorm en omliggende ruimte verbonden zijn, zo hebben dichtbij en ver weg elkaar nodig. Alle tegenstellingen in de bundel – en dat zijn er veel! – blijken elkaars spiegelbeeld, zij zijn gelijk aan de genoemde eeneiige tweeling of de kat die uiteindelijk twee namen heeft omdat men niet kan kiezen tussen Vos en Hyena. Ja Neelevert daarmee, op Oosterhoffs onnavolgbare vitale wijze, een scherpe kritiek op het denken dat een referendum doorslaggevend laat zijn in kwesties die juist niet in zwart/wit-tegenstellingen zijn te vangen.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2017
    RecensentMarieke Winkler
    Editie2017-2