Recensies

  • Vonkt

    Marije Langelaar
    Vonkt

    Prooi en jager

    Toegegeven, helemaal onbevooroordeeld stap ik Marije Langelaars nieuwe bundel niet in. Uit haar verbluffend levenslustige debuutbundel, De rivier als vlakte (2003), komt een van mijn absolute lievelingsgedichten, ‘Aan tafel’. Kom, citeer ik het hier integraal, voor het plezier:

     

    Vragen wij vandaag aandacht voor de lucht
    Zie haar trillen!

    Kijk hier buigt zij rond de schoorsteen!
    Hier wordt zij uitgespuugd!
    Kijk hier raakt zij water!
    Vliegt zij over een ijsschots!
    en rent door de huizen!

    De lucht gaat in het schaap!
    De lucht gaat in de bever!
     
    Hier verdwijnt lucht in het toetje!
    Kijk die vla haar vasthouden!

    Die moet!

    Die moet in een kind terechtkomen!
     
    En jawel we tellen af!
    Drie!

    De lepel wordt opgeheven!
    Twee!

    Het vliegtuig vliegt al aan!
    Een!

    De lucht gaat in het kind

     

    Achttien uitroeptekens in twintig regels, en nóg blijft het spannend, juich ik bijkans met de dichter mee voor de lucht. Ook over de opvolger De schuur in (2009) was ik erg enthousiast. Aan haar lichtheid en extase voegde Langelaar meer beklemming en duisternis toe, maar onverminderd zinderden haar regels, bleef zij ‘bidden zoals regen losbarst’. Langelaar lezen is op avontuur willen gaan, steeds willen meebewegen met de woorden, zien gebeuren welk beeld er uit het voorgaande beeld voortvloeit, wat we nu weer zullen worden. Zo ook in haar nieuweling, acht jaar later, waarin we onder meer tewerk worden gesteld op het ministerie van Schittering, opgaan in verschillende soorten flora en fauna, de verschillen tussen Man en Vrouw verder uitdiepen, en vooral de hele tijd met geboortes worden geconfronteerd. ‘Wel iedereen is dier,’ stelt ze ergens voorin de bundel, en in het slotgedicht:

     

    Ja ik geloof in buitenissigheden
    
mensen die door muren lopen, kunnen lezen met hun ogen dicht
    contact met planten en bomen,

    dit valt in eenzelfde categorie.

     

    Van de lezer wordt een dergelijk geloof eigenlijk ook gevergd, of tenminste een bereidheid om erin mee te gaan. Wie zich ervoor afsluit, de voeten stevig op de grond wil houden, ketst af, raakt gaandeweg in de bundel waarschijnlijk afgestompt door alle metamorfoses, wildheid van associaties, buitelende uitroepen. Maar wie zich openstelt, wordt rijkelijk beloond: die gaat mee op avontuur. Geen vrolijk avontuur, maar een wrang en spannend avontuur, waarin het gevaar nooit ver weg is en er veel op het spel staat. In de liefde, in een relatie, met kinderen: steeds moet er gekozen worden tussen redden en vluchten, maken of breken, steeds staat de mens tegenover wat hem omringt, bevindt wat hem omringt zich ín de mens, staat hij uiteindelijk tegenover zichzelf, en staart in het gezicht van zijn nageslacht. En staart het vanuit dat gezicht terug naar zichzelf. In het gedicht ‘Jager’ pulseert tussen prooi en jager dezelfde vonk:

     

    Was ik eerder een jager een prooi was ik nu
    
met een rank stroompje bloed langs mijn hals ik
    sprong langs de rand van het bos mijn poten
    een paukenslag.
     
    De tijd zwol op tot een kloppende ader waarin alles vervat
    ook de brasserie verderop met haar vorken en messen, de
    vlucht van wulpen, het gras traag slurpend, alles als in een
    trechter gleed in de zoemende vinger van de schutter.

     

    Vooral de langere gedichten, zoals ‘Trommel’, ‘Stad’ of ‘Reis’, hebben hier en daar in hun bevreemdende wendingen wel iets Tellegenachtigs, maar dan wilder. Ondanks alle dieren en dierlijkheid die er een rol in spelen, zijn het eerder sprookjes dan fabels. Duistere sprookjes, over angst, verscheurdheid, vlucht en bekommernis. Tegenover de doordenderende langere verhalende gedichten staan korte beschrijvende miniaturen, zoals het prachtig secure ‘Hert’. Maar rust is relatief in het diffuse en vitale universum waar de dichter zich doorheen slaat, panisch soms, in constante beweging om te redden wat er te redden valt, met een spoor van vernieling en nieuw geworpen baby’s achter zich aan. Ik denk dat Vonkt haar beste bundel tot nu toe is. Heftiger nog dan de voorgangers, en tegelijkertijd hechter, en vooral knerpender, knarsender: nijpender.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2017
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2017-2