Recensies

  • De boom valt op mij

    Ilse Starkenburg
    De boom valt op mij

    Op een dag in een gedicht

    Net als haar vier voorgaande bundels is Ilse StarkenburgsDe boom valt op mij eerder een verhalend werk dan een uiting van taalexperiment. Waarneming staat daarbij centraal, en zoals uit de titel mag blijken, zijn de gedichten zelden eenduidig.

    Starkenburg probeert die waarneming vanuit haar eigenste taal te duiden. Zo schrijft ze in het poëticale gedicht ‘echt praten’ uit in plaats van alleen (2003): ‘ik trek mijn taal/ mee de tuin uit’, en gaat ze haast alsof ze een kind is zonder schroom met de buitenwereld in gesprek; ‘Hebben jullie wel eens gehoord/ van onze woorden?’, en somt vervolgens een aantal woorden of dingen op, maar de buitenwereld, een ‘onwillige hond’, gromt onverstaanbaar en ze trekt zich snel weer terug, ‘naar achter het hek/ waar brokken grap’. Ik lees daarin dat ze vanuit de veilige ruimte (van de tuin waarin gespeeld kan worden) de onverstaanbare brokstukken van de werkelijkheid naar eigen hand zet en tot poëzie vormt.

    Deelnemen aan wat ze zo tastbaar beschrijft, lijkt lastig, maar al ligt er soms wel eens een grommende hond achter het hek van haar overwegend korte regels, bij het lezen van Starkenburgs werk komt de buitenwereld zelden direct bedreigend over.

    Neem het gedicht ‘Santorini’, waar de dichter met haar taal de wereld inloopt, klaar om het Griekse eiland te bevatten.

     

    ik bekijk de rotsen en de zee
    alsof ik in een dierentuin

    langs kooien loop waar
    
rotsen en zee in opgesloten zijn
     
    pas als ik me probeer voor

    te stellen hoe hier
    
eens het dagelijks leven was
    waarbij natuur niets anders is
     
    dan een onderdeel,

    een decor op een toneel
    pas dan kom ik er echt in

     

    Het gedicht is bedrieglijk eenvoudig. Maar gaat het hier om het leven vóórdat het toerisme het eiland overnam en krijgt ze pas het werkelijke eilandgevoel als ze zich dat verleden voorstelt? Of gaat het om de tegenstelling tussen de empirische en religieuze wereld? In dat laatste geval was de natuur, die ze op haast wetenschappelijk-afstandelijke wijze beschouwt, ooit nog een magisch decor dat een toornige god omstreeks 1600 jaar voor de start van de jaartelling met een vulkaanuitbarsting deed exploderen – de niet te vatten ‘grommende hond’ van een krater ligt inmiddels onder water.

    De vraag is bij die tweede lezing overigens of ze er echt inkomt, van die afstandelijke dierentuinnatuur in die allesdoordringende magische wereld – of is de ironie hier dat ze nog altijd achter het hek blijft, buiten die los van taal bestaande natuur – ook een hond die zich niet laat kennen?

    Je kunt stellen dat het niet geheel kunnen deelnemen aan de wereld achter het hek in haar werk wordt gesymboliseerd door veel voorkomende plekken als eilanden en kustlijnen, waar de elementen elkaar treffen. Maar als je erop gespitst bent, zijn daar ook: deuren, het verleden en de dood.

    De dood komt in De boom valt op mij meermaals terug: in een gedicht geschreven voor een Eenzame Uitvaart bijvoorbeeld (‘nu geef ik je mijn aap/ alsof je bent geboren’). En in ‘Pleinen vergeten hun geliefden niet’, waarin ‘Anna Drijber, van het Dufayplein’ wordt gememoreerd, een voormalige geliefde die – ware haar naam niet in een overlijdensbericht langsgekomen – nog altijd ‘tot haar tachtigste elk moment’ naar buiten had kunnen komen. In ‘Egidius’ schrikt Starkenburg als in een antiquariaat de overleden dichter Ed Leeflang staat: ‘Ed, ik schrik me dood’ slaat ze uit. Waarop Leeflang antwoordt: ‘o ja? je zou nog veel erger/ zijn geschrokken als ik/ het echt was geweest’ – een gedicht dat onwillekeurig herinneringen oproept aan Tonnus Oosterhoffs ‘Kritiek’ uit We zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002) waarin Job Rengeling opeens voor zijn geestesoog verschijnt, en even later de eveneens overleden dichter Riekus Waskowsky te berde wordt gebracht.

    Angst of zwaarmoedigheid ligt bij die eindigheid niet aan de oppervlakte, of wordt de lezer in ieder geval niet opgedrongen. De gedichten brengen eerder een warm gevoel over: ‘Ik ben de zomer zelf/ o vrij toch eens met me’ schrijft ze ergens. Is het de poëzie die killende gevoelens bedwingt? Tegelijk lijkt iets anders aan de hand. In het gedicht ‘Zwoel’ ligt de verteller van het gedicht ongezien tussen de omringende huizen in Groningen met twee anderen naakt op een dak, het is een dag die ‘eeuwig duren’ zou. ‘Er was nog geen gedicht’, schrijft Starkenburg. Bestaat zonder poëzie nog geen dieper begrip van de eindigheid? Het gedicht gaat verder:

     

    een zuchtje wind, knarsend grind onder
    een teen en één van ons draaide

    het zou kouder worden

    we zouden ouder worden
    onze vriendschap moeten achterlaten
    op een dag, op een dak
    
in een gedicht

     

    Poëzie mag dan een manier zijn om de eindigheid te bedwingen, ze geeft haar bij Starkenburg tegelijkertijd een plek.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2017
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2017-2