Recensies

  • Dwaallichten

    Gerda Blees
    Dwaallichten

    Houvast

    Na een mooi citaat van Czesław Miłosz, over het al dan niet verzonnen zijn van engelen, en bij uitbreiding: van mensen, zet Dwaallichten direct sterk in met een ‘paar basale cijfers over de wereld/ waar u dit zou kunnen lezen’. Essentie van die wereld is, zo blijkt al snel, dat er zo’n 7,5 miljard mensen leven, die waarnemen en waargenomen worden, ‘en de teller loopt’. Een cruciale overeenkomst tussen al die mensen is, zo blijkt gaandeweg in de bundel, dat ze veel van wat wordt waargenomen kunnen verliezen, inclusief zichzelf. Het gaat hier om houvast en het verliezen daarvan. En het blijven proberen dat verlies teniet te doen. En de zin of zinloosheid daarvan. In de bundeling observaties, case studies, zelfportretten, parabels en imaginaire epistels die haar poëziedebuut vormt, doet Gerda Blees het niet voor minder: de ene keer lichtvoetig, dan weer zwaarmoedig, beschrijft en ontleedt ze hoe alles – liefde, controle, eetlust, identiteit, bezit, leven – ons telkens weer ontglipt, ‘en er weer/ iets onherroepelijk voorbij is maar wat/ weet je niet precies’.

    Dwaallichten volgt tamelijk rap op Blees’ prozadebuut van vorig jaar, de scherpe verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet, waarover Arnon Grunberg opmerkte: ‘Blees kiest de juiste details, ze doorziet de menselijke komedie en met liefde begeleidt ze haar personages naar hun veelal noodlottig einde, zo liefdevol dat de lezer zich wel met dat noodlot moet verzoenen.’ Iets soortgelijks geldt voor Dwaallichten, in elk geval wat betreft juiste details, menselijke komedie, liefde, noodlot en verzoening. Maar dan op een inclusievere manier: deze gedichten lijken niet alleen te willen dat de lezer zich verzoent met het lot van de personages, maar ook met zijn eigen lot. Dat is enerzijds waarschijnlijk een genrekwestie: in gedichten kom je – als het goed is – nu eenmaal sneller, korter en intenser op de huid van personages te zitten, waardoor er ook eerder identificatie kan optreden. Anderzijds leggen deze gedichten ook sterker dan de verhalen de nadruk op de relativiteit van het onderscheid tussen personages en lezer. Al hebben we niet allemaal een eetstoornis, zelfmoordneigingen of ‘afgesleten plastic tasjes’ in onze hand: we ondergaan in grote lijnen wel allemaal dezelfde menselijke processen, we leven allemaal met een vertekend zelfbeeld, onvervulde verlangens en de mogelijkheid om geestelijk en/of maatschappelijk af te glijden. En niet alleen wij als lezer, maar ook de dichter, of die nu mens is of engel. De bovennatuurlijke ‘lichtdrager’ die aan het begin van de vierde en voorlaatste afdeling als Odysseus in onze wereld aanspoelt, vervolgens verschillende gedaanten aanneemt, een fietstocht en een bezoek aan een inrichting onderneemt, eindigt zelf uiteindelijk met een gedwongen opname.

    Als de sfeer gaandeweg schimmiger en grimmiger wordt, als niet meer helemaal duidelijk is wie of wat er precies aan het woord is, en waarom, dan is dat bij Blees geen gewilde dichterlijke vaagheid, maar nu eenmaal de onbestemdheid of onduidelijkheid van het universum waarin we met de dichter verzeild raken. Het troebele zicht dat ons vanuit het huidige perspectief geboden wordt op de omgeving, op de om ons heen gesponnen wereld. Waarom houden we niet op naar meer houvast te zoeken, vanwaar onze hardnekkige menselijke veronderstelling dat met meer grip alles ineens draaglijker zou worden. Waarom blijven ‘vragen naar de dingen die je weet/ maar aan niemand anders uit kunt leggen’? Omdat het leed van de ander ook ons eigen leed is, misschien, omdat ook engelen niets menselijks vreemd is.

    ‘Het zou kunnen. Maar het zou ook kunnen van niet.’

    Ik krijg nog niet alles rond en geduid, ook na herhaalde herlezing niet, gelukkig niet, en dus dwaal ik nog even verder, in de bundel en erbuiten, een stem volgend die ik in haar lyrische precisie herken: we hebben er wat mij betreft met Gerda Blees weer een echte dichter bij.

    UitgeverPodium
    Jaartal2018
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2018-2