Recensies

  • In die tijd die

    Elly de Waard
    In die tijd die

    Ontwijkende bewegingen

    Elly de Waard schuwt de grote onderwerpen niet. Haar nieuwe bundel In die tijd die opent met een sectie die de tussentitel draagt ‘Tijd, ruimte’. Het eerste gedicht ‘De triniteit van pi’ zet de toon:

    Achter het leesteken slingeren
    
al sinds het ontstaan van het heelal
    de decimalen zich de ruimte in
    lichtende staart van een komeet
     
    die tijd en werelden ontsteekt
    
in een opeenvolging zonder patroon
    of zich herhalen. Processen binnen
    de evolutie doen dit na

    in zelfgelijkend groeien, zich
    vermenigvuldigen of voortplanten
    zo cyclisch wordend in fractalen.

     

    Wow. Hier ben ik wel even van onder de indruk. Al kan ik er weinig mee. Het is me te veel en te groot, te ver en te onpersoonlijk.

    Met het tweede gedicht heb ik een vergelijkbare ervaring. Dit begint als volgt: ‘Als wij aannemen dat het heelal een/ gesloten systeem is, bepaald door zijn/ oneindigheid, dan zal het, zoals alle/ gesloten systemen, onderhevig zijn/ aan de wet van het behoud van energie.’ Mijn god! Het is beslist ritmisch, deze essayistische poëzie over eeuwenoude verwondering, maar waarom zulk formeel, academisch taalgebruik?

    Ruimte en tijd blijven de leidende thema’s tot het volgende deel ‘Materie, aarde’. Oef. Het is me allemaal zo ongrijpbaar, zo ver weg. Ver van mijzelf, maar vooral ook van de auteur.

    Tegelijkertijd gebeurt er iets vreemds: hoe verder ik door de poëzie het heelal wordt ingezogen, hoe meer ik aan Elly de Waard moet denken. Aan wie zij voor mij is. Naast een dichter die graag natuurbelevingen en de menselijke maat bezingt, is zij voor mij een feminist. Vanaf de jaren tachtig speelde De Waard een voortrekkersrol in het debat over vrouwen in de Nederlandse literatuur. Zij was een van de oprichters van de Anna Bijns Prijs.

    Om feministisch te zijn in de literatuur was lange tijd geen gemakkelijke positie, het werd als gezeur afgedaan – de auteur deed er niet toe, en zeker niet het geslacht van de auteur, wat wilde je dan, dat je bekroond werd ómdat je vrouw was, waren de breed gedeelde tegenargumenten. Tegenwoordig gaat dat wel anders. Nu is feminisme hip.

    Hier denk ik aan als ik De Waards bundel lees en hierdoor lijkt het wel alsof de verzen ontwijkende bewegingen maken, alsof ze willen zeggen: ik heb mijn strijd gestreden, ik trek mij terug, vanaf nu kijk ik naar ‘vermoeide bladeren’, ‘de onverbiddelijke zon’ en contempleer ik kringen in het meer, planeten aan de hemel. In de loop van de bundel worden de gedichten concreter, het taalgebruik persoonlijker. Het laatste deel, getiteld ‘Oorlogscyclus’, is het sterkst. Zo staan er trefzekere regels als: ‘Ooit werd ik in een oorlog geboren/ Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed// In de tijd daartussen had ik het goed.’ Ook hierin komt het grote en het kleine samen, de cyclus en de mens, maar hier is sprake van pijn en humor.

    De verwondering ten overstaan van universum en natuur, en de bijkomende relativering van het kleine, van menselijke zorgen over zaken als feminisme, denk ik opnieuw terug te lezen in de mooi unheimische regels: ‘Vertel het aan wie het moet weten/ mijn mond staat te wijd open/ om te kunnen spreken.’ Gaat het gedicht echt daarover? Nee, waarschijnlijk niet. Het is allemaal projectie. Ik lees De Waards bundel en denk aan haar als feministe. Ik kan er niets aan doen. Die bundel heeft er weinig mee te maken, maar toch! Maar toch!

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2016
    RecensentJannah Loontjens
    Editie2017-1