Recensies

  • Tsunami in de Amstel

    Pieter Boskma
    Tsunami in de Amstel

    Met de poëzie alleen redden we het niet

    Tsunami in de Amstel, Pieter Boskma’s dertiende dichtbundel, opent met een wenteling: een dichter die op een troon gehesen wordt en daar direct weer vanaf valt, want met de poëzie alleen redden we het niet: ‘Er verrezen de partijen/ die het vers hadden afgeschaft. Massamars, omwenteling,// en toch maar weer het geld.’ Boskma lijkt te onderzoeken hoe hij schrijft en waarover, wat de rol en taak van de dichter eigenlijk is. Grote poëtische thema’s als de stad, de politiek, de literatuur zelf, de liefde en de natuur passeren de revue in zes delen. Romantische gedichten gericht aan een ‘je’ worden afgewisseld met gedichten die een duidelijke relatie met de wereld en actualiteit aangaan en dat levert fraaie beelden op. In ‘Zijds’ voert Boskma de televisiekijkende, nieuwsconsumerende mens op die niet tot daden overgaat, maar zich verdooft en de wereld laat gebeuren: ‘De slapenden hadden geen erg in de invasie van hun wijken en snurkten ongehinderd voort.’

    Boskma viert het leven in deze bundel in alle toonaarden. Tsunami in de Amstel toont volheid en kracht, maar wel van het soort dat past bij een man van middelbare leeftijd: ‘Wanneer je/ naar de zestig trekt – mijn hemel naar de zestig –/ moet je sterk in je schoenen staan om dit gekrabbel/ – want ik schrijf weer gewoon met potlood op papier –/ vol te blijven houden en niet gek of ziek te worden.’ De dood heeft ontegenzeggelijk zijn intrek genomen in het leven, Boskma schrijft: ‘er zijn al zoveel doden, losers, zij die er de brui/ aan gaven’; ‘Te velen zijn er ziek of allang gestorven’; ‘In ruim een half jaar tijd verloor ik drie bevriende dichters/ aan een zelfgekozen dood.’ Maar deze bundel gaat niet over de dood, hij gaat veeleer over het voortzetten van de poëzie, van het leven:

     

    Drie bevriende dichters en hun zelfgekozen dood. En toch
    gewoon dit gedicht, tussen frons en tranen door, en hier,
    aan het slot ervan gekomen, de gebruikelijke, dankbare,
    voldane onzekere, trotse en een beetje arrogante glimlach.

     

    In het titelgedicht komt Rembrandt aan het woord. Hij vergelijkt zich met Lievens en Fabritius, die jong stierven en de tijd van leven niet kregen om zichzelf opnieuw uit te vinden: ‘Ik kreeg/ daarvoor van God de tijd en schiep een Nieuw Volmaakt.’

    Een parallel met Boskma’s eigen leven is onvermijdelijk: hij verloor zijn vrouw, rouwde daarom en verwerkte het (onder andere in de bundels Doodsbloei(2010) en Zelf (2014)), en creëerde vervolgens een nieuw leven. Niet alleen in de vorm van een nieuwe relatie, maar ook in de vorm van een kind.

    De bundel vraagt om een revolutie, een poëzie die iets over de wereld zegt, keert tegelijkertijd terug naar het eigen maakproces, maar beschrijft ook de herkenbare, alledaagse en erg grappige sleur van het leven: ‘Want als hij niets te doen had, bijvoorbeeld op vakantie,/ wekenlang, verplicht, en ook nog met, godbetert,/ een bevriend gezin, dan sloeg de verveling toe’.

    Dit alles vindt zijn slot in het zevende deel, dat niet alleen qua vorm, maar ook qua taal en toon afwijkt van de rest. Een vrouw vaart over Amsterdam, dat inmiddels is verzwolgen door een tsunami. Naar beneden kijkend ziet ze dat ‘onder water het leven zich voortzette als op gewoon een droge dinsdagmiddag in april’. Zij ziet oude kennissen, plekken waar ze kwam, bevriende schrijvers roddelend op het terras en laat die, kijkt enkel:

    Er lag zoiets kalms over haar, verlossing, overgave,

    zij was een grootse, prachtige, ontstellend kalme jonge vrouw
    die allang begrepen had dat haar boot niet zinken zou.

    Tsunami in de Amstel lijkt hiermee een bundel die berusting zoekt, maar niet opgeeft, een bundel over levensdrift.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2016
    RecensentKim van Kaam
    Editie2017-1