Recensies

  • Om en nabij

    Hans Tentije
    Om en nabij

    Het ontglippen van wat je steeds weer anders ontschoot

    Hans Tentije is een dichter met een zeer consistent oeuvre. Veel vernieuwing hoeven we van hem niet te verwachten. Ook Om en nabij, zijn nieuwe bundel, bevat gedichten over zijn grote thema’s: het verstrijken van de tijd en de melancholische pogingen iets van het verleden te bewaren, vast te houden. Om én nabij. In dit schemergebied van het voorbijgaande en wat nog sluimert houdt de dichter zich op. Alles is in overgang, nooit precies hetzelfde. In ‘Al met al’, het openingsgedicht van de bundel, schrijft de dichter:
     

    zo onachterhaalbaar als de dagen vanzelf
    
in de vorige overgingen wanneer je ’s ochtends tegelijk
    met de slaap en een paar droombeelden
    
uit je ogen wreef, beseffend dat wat je ontglipte
    
je steeds weer, iedere keer
    
anders, ontschoot




    Op het eerste gezicht lijkt de poëzie simpelweg te gaan over dit ontglippen van de tijd, het ouder worden, het ophopen van tijd die achter, in plaats van voor de dichter ligt. Maar Tentije voegt daar nog een laag aan toe. Zijn zinnen willen het veranderlijke van het verglijden zelf proberen te benaderen, ze draaien om de verraderlijke werking van de waarneming en het geheugen, om wat ‘iedere keer/ anders, ontschoot’. Trage, langgerekte beschrijvingen zijn niet voor niets het handelsmerk van deze poëzie. Daarin kan het proces van waarneming, waarin beelden een voor een over elkaar heen schuiven, worden gevolgd en opgeroepen, waardoor een gelaagde compositie ontstaat waarin een glimp van de werkelijkheid kan worden opgevangen. Als lezer vertraag je bijna automatisch mee met Tentijes stromende zinnen, die je daardoor het plezierige gevoel geven dat je grip krijgt op wat zich uiteindelijk aan je onttrekt. De beschrijvingen stapelen zich niet op, maar schuiven in elkaar, vloeien in elkaar over, in heel precies bemeten regels.


    Maar het is jammer dat de dichter de uitleg er vaak bij geeft. Zo volgen op de bovenstaande regels onmiddellijk de volgende:
     

    we bestaan bij de gratie van herhalingen

    die zich nooit volstrekt identiek
    
voordoen en van onthullingen, te eenmalig bijna
    om waar te kunnen zijn


    Als de dichter probeert te synthetiseren, stokt de beweging die het gedicht in gang zet. Ik zou willen dat deze poëzie meer bestond uit in elkaar klappende, elkaar uitwissende herinneringsflarden, die als ‘jakobsladders naar de bovenwereld worden gebracht’, zoals elders staat.

    De dichter Paul Rodenko beschreef moderne poëzie als poëzie waarin beeld en klank ‘autonoom’ worden, van referentie worden ontdaan, door een ontregeling van de taal – hyperconcrete beelden, associatieve woordcombinaties, een andere zinsbouw. Tentije houdt het overzichtelijker en grijpt juist terug op vertrouwde verbindingen als ‘troosteloze luister’, ‘vlechtwerk van schaduwen’, ‘allesverterende heimwee’. Daardoor worden de beschrijvingen jammer genoeg eerder vlakker dan rijper. Je hebt het idee dat er een repertoire is waaruit geput wordt, dat de ervaringen gedragenheid en verhevenheid moet meegeven. Vaak lopen de gedichten, na veel omwegen, uit op een pregnante slotregel, die het gedicht van zijn betekenis voorziet. Dat is niet nodig. Het caleidoscopische, meervoudige beeld is genoeg. De poëzie van Tentije is sterker wanneer ze dichtbij het zintuiglijke niveau blijft. Of zoals de dichter het zelf zegt: ‘zichzelf, het zinnelijke, weten te ontraadselen, misschien is dat het/ wat herinneringen willen.’

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2016
    RecensentFrank Keizer
    Editie2017-1