Recensies

  • Lippenspook

    Martijn Benders
    Lippenspook

    Norm of vent – Zinderend en tegendraads

    Er zijn dichters die het moeten hebben van hun zonder al teveel poespas opgeschreven vondsten en dichters die pas na langdurig zoeken en schaven tot doorwrochte taalconstructies komen. Soms had je bij de vinders gewild dat ze iets langer zochten, terwijl je bij de peinzende sonnettenbouwers graag meer vondsten aangetroffen had: neemt de één zijn speelsheid te weinig serieus, neemt de ander zijn serieuze oprechtheid te serieus. Deze ideaaltypische tegenstelling tref je in zijn puurste vorm bij dichters aan die minder ervaren zijn dan Martijn Benders. Zijn meest recente dichtbundel, Lippenspook, zit boordevol vormen en vondsten, terwijl de taal alledaags oogt en de toon doorspekt is van een soms obstinate tegendraadsheid.

    Op gezette plekken in de bundel treft de lezer visuele intermezzo’s aan, in de vorm van beeldgedichten, die tevens een effect sorteren dat vergelijkbaar is met dat van een titelpagina van een nieuw hoofdstuk. Erg grappig is het gedicht ‘Vraagtekentetris: een retesaai spel’. Na de rechts uitgelijnde titel zie je de vraagtekens naar beneden tuimelen tot ze onderaan de bladzijde op een grote ongeorganiseerde hoop met leestekens liggen.


    Een gedicht getiteld ‘Robert Frost: geen hol aan’ onderstreept de verhouding van de dichter tot het al te serieuze en vormvaste. Het lyrisch ik geeft aan liever bananen te eten dan de klassieke Frost te lezen, terwijl hij met de dichter Koenraad Goudeseune door Gent wandelt. ‘Kathedralen staan er zo dicht op elkaar/ dat het lijkt of ze willen copuleren’, schrijft Benders dan. Hij schuwt de vulgarismen niet, integendeel, maar is zorgvuldig in zijn woordkeus, zodat de zin ook poëtisch werkt – je ziet het voor je.

    Vorm of vent, luidt de klassieke tegenstelling, maar Benders zet zich met name af tegen de literaire norm. Dit is geen poëzie die zich iets aantrekt van een recensie in een blad als Awater waarin vakgenoten elkaar vanuit hun eigen, vaak andere achtergrond en poëtica bespreken. Dit is poëzie waarbij je als lezer in spanning blijft omdat je geen idee hebt wat de volgende bladzijde brengt.

    Dat levert tot de verbeelding sprekende zegswijzen op, zoals in het tweede gedicht, ‘Er is vanavond weer niets op zee’. Een kapitein dwaalt eenzaam onder de sterren. ‘Golven, prakken tegen slordig geschilderde eilandjes’, de kitsch in de metafoor van een amateurschilderij wordt niet geschuwd. Dit is geen mooischrijverij, maar wanneer Benders schrijft over de zoveelste kapitein ‘met de zoveelste kilometerslange tulband’ zie ik het kilometerslange schuimspoor dat elke schipper achterlaat in zee. Er is niets op zee, maar er is van alles aan de hand.

    De verbeelding is voor het lyrische ik echter niet genoeg, die ‘zit in de weg’. Niet naast een denkbeeld van de ander wil hij ontwaken. ‘Wil wakker worden naast jou, niet naast een ander’, dicht Benders, sterk, omdat het onvermogen van de poëzie zelf hier aan de kaak wordt gesteld. Maar Benders neemt geen genoegen met het onvermogen van de taal, dus springen strofen uit hun regelmaat en letters uit hun voegen; en schiet de dichter uit zijn slof terwijl hij sterke tot eigenzinnige zinnen opdist.

    Lippenspook ademt boven alles vrijheidsdrang. Vrij wil de poëzie zijn, vrij van vorm en norm, maar in haar talige bestaan blijft ze aan regels gebonden. Los van de literaire traditie staat ook Benders niet. Associaties met Buddingh’, Lucebert en Van Ostaijen liggen op de loer. Maar dat er met die regels en tradities gespeeld kan worden laat Benders in zijn bundel op geheel eigen wijze zien. Dat de tegendraadsheid soms doorslaat in een dwangmatig verzet tegen zelfs de poëzie an sich neemt niet weg dat deze gedichten in al hun rauwheid zinderen, waardoor Lippenspookals geheel meer dan de som van vondsten is.

    UitgeverVan Gennep
    Jaartal2016
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2017-1