Recensies

  • Monniksoog

    Cees Nooteboom
    Monniksoog

    Een accent in de leegte

    Cees Nootebooms oeuvre is rijk en divers. Kijkend naar zijn poëzie is een sterke invloed van Slauerhoff zichtbaar, soms neigend naar de pathetiek van de fado, waarvan zijn bijdrage op Cristina Branco canta Slauerhoff acte is. Rijk aan klassieke maar ook aan Bijbelse verwijzingen, is zijn oriëntatie vooral op de uitheemse wereld gebleven, die vol observatie en reflectie, en afgewisseld met soms prachtige beeldspraak tegemoet is getreden.

    Licht overal, Nootebooms voorlaatste bundel, is te duiden als spiritueel: wijs en ruimte latend voor innerlijke reflectie. Monniksoog lijkt aanvankelijk af te stevenen op het religieuze. Dat begint al bij de titel, die natuurlijk verwijst naar Schiermonnikoog waar Nooteboom van 2015-2016 enige tijd verbleef (ook al komt ook Menorca in beeld, waar de dichter woont); dat eiland of ‘oog’ waar geruime tijd een orde van ‘schiere’ of grijze monniken heeft bestaan – en sinds kort opnieuw een monniksorde gevestigd is.

    Komt de wereld in Monniksoog wellicht ook binnen via het oog van een monnik? In het openingsgedicht lijkt dat haast het geval. Op de rand van het bed van de verteller zit een moeizame god en zes engelen met vermoeide vleugels van het tegen de stormachtige wind invliegen over het wad.



    Wie Nootebooms god is, blijft ongearticuleerd. Ja, hij lijkt op de kapitein van de veerboot, en er wordt een associatie gelegd met een jager, waarvoor de konijnen die de verteller in het donker langs het pad zag bang zijn. Is hij de dood, is hij Charon die de doden overbrengt? Het gedicht is eerder een droom dan een visioen. Schrijft Nooteboom hier dat de dood is aangezegd?

    Wie de bundel doorleest ziet dat het niet zozeer het religieuze is waarin de dichter onderkomen zoekt. Nooteboom probeert zich te verhouden tot de eindigheid van het leven. Zo komt hij in het volgende gedicht zijn moeder tegen op het duinpad, pratend tegen een andere dame: ‘Dat zij het echt was wist ik door het geluid/ van het schelpengruis onder haar voeten’. Hij ziet zijn broer en halfbroer doorzichtig op een duinpad en hoopt op iets als een schat, ‘een aangespoelde walvistand, of goud/ waardoor alles weer goed kwam’. Verderop in de bundel treft hij een overleden vriend. Waarom laten de doden hem niet met rust, verzucht Nooteboom: ‘ze strooien hun namen op de weg/ waarop wij moeten lopen, zij doen hun/ dichtregels in onze laatste slaap voor de ochtend’.
    Het is niet alleen weemoed of verdriet dat aan de dichter knaagt, maar ook angst:

    Op het laatst wilde de oude dichter

    niet meer naar zee. Wat zo wijd en open was
    joeg hem angst aan, zei hij, hij zag zijn
    doorzichtige leven in een doorzichtige
     
    dood. Een schip hielp niet meer,
    
dat was een accent in de leegte, geroeid

    door een niemand, een schim zonder handen
    vogelvorm, voorovergebogen
     
    alsof er nog land was, een haven.

    Als hij nog sprak was het in fabels,
    afdaling in de onderwereld, het laatste huis
    van zijn jongere vrienden, nu
     
    zonder stem.

     

    Gedichten als het voorafgaande bezitten de kracht je te raken juist doordat ze zo persoonlijk overkomen. Het lijkt meer te spelen dan in eerder werk. Ook treft de verleden tijd waarin de gedichten geschreven zijn. Het heeft iets fatalistisch, alsof er niets meer aan te doen is, wat natuurlijk ook zo is. Je kunt zoveel gedichten als je wilt in het geweer brengen – of zoals Nooteboom in Monniksoog ze in het gelid zet: steeds drie kwatrijnen met een hulpeloos eenzame regel onderaan – de dood slaat er geen acht op. Hij (zij?) scheidt uiteindelijk alle makers van hun kunst. In de woorden van het geciteerde gedicht: ons laten ze hun fabels. Hoe groter hun angst, hoe schraler wellicht die troost – maar toch: leve Nooteboom.

    UitgeverKaraat
    Jaartal2016
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2017-1