Recensies

  • Splendor

    H.C. ten Berge
    Splendor

    Middeleeuws licht

    In Engel van de metamorfose, een serie essays over 
het werk van de Vlaamse kunstenaar Jan Fabre,
 schrijft Stefan Hertmans dat diens theaterwerk als
 het ware gesitueerd moet worden in de late middeleeuwen, bewoond door premoderne mensen. Daar
mee bedoelt hij mensen van voor de Verlichting en 
de psychologisering; ‘hele mensen’ noemt hij ze,
 die conflicterende waarheden nog naast elkaar laten bestaan en duisternis en licht nog samen laten gaan.

    De gedichten in Splendor, de meest recente bundel van de bijna tachtigjarige H.C. ten Berge, stammen in zekere zin uit diezelfde totale wereld van erotiek, geweld en mystiek. Meer specifiek is de context die van de dertiende eeuw, een eeuw waarin de mystici over elkaar heen buitelen en wonderen haast regel worden. ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’ heet het eerste lange gedicht, met een motto genomen uit Psalm 42 over de naar God smachtende ziel. H.C. ten Berge, van oudsher een dichter met sterk intertekstuele drang, verwijst met het citaat bovendien naar een preek van mysticus Johannes Tauler, zelf geboren op de rand van de veertiende eeuw, over Johannes de Doper en de getuigenis. ‘(Als) in een afgrond: daarin is Gods woning,’ veeleer dan in de hemel of in zijn schepping, schrijft Tauler. In Splendor volgen zeven pagina’s vol wonderlijke, vaak gewelddadige openbaring. Opoffering, automutilatie, uitbundig erotisch stromend bloed, extase en verrukking. En de ontkenning daar van. Leven in tijden dat God nog sexy was, maar ook heerser over de ‘Wüstenunge. Leegte. Afgrond.// Niets.’

    Christina von Hane strijdt in Rijnland zeven jaar
    
tegen zeven helse zonden, die van de wellust het meest.
    Zij temt haar seksdrift met harde ascese, doet boete,
    krijst, versterft en schrijft.

    Ze gaat ‘die gore lust’ te lijf, verminkt haar vurig geslacht
    met kalk, azijn en de gloed van een brandende tak.

     

    De toon is die van een reportage. Alsof Ten Berge in de rol van historisch journalist de eeuw afreist op zoek naar wonderen. Of als een leesverslag. Bijna pesterig voegt hij als slotregels toe: ‘Wie mijn woorden wil begrijpen/ moet Het vloeiende licht der Godheid negen keer lezen.’ Daarnaar handelen zou op zichzelf een religieuze daad van formaat zijn. Meer dan enkel religieus is het een harde, vernietigende eeuw, de dertiende. In ‘O, de aarde’ schrijft Ten Berge:

    Stad en land getatoeëerd met een verminkte
    taal.
    
Eenduidig zijn de tekens: telkens weer een kop
    gespietst op een gepunte paal.
    (...)
     
    Onbevreesd branden wij ook huizen, hersens,
    en de blijdschap om het leven af.

     

    Naast die harde, levensverslindende werkelijkheid plaatst de dichter de ontluikende theoretische inzichten die hij de ‘metafysica van het licht’ doopt: ‘Aquino. Duns Scotus, Robert Grosseteste –/ zij slepen een taal van verfijnde gedachten’. Dit is de eigenlijke taal van Splendor waar Ten Berge naar op zoek is, zo lijkt het. Een taal waarin de ‘gelaagdheid van het licht’ nog ruimte krijgt, waarin hartstocht en helderheid nog vanzelfsprekend in elkaar overlopen: ‘Bovenaardse gloed, maar ook innerlijke vlam/ die opstijgt uit de kern der dingen/ en de warmte van een menselijk hart.’ En ook in de beschrijven van die gloed blijft Ten Berge de ‘embedded journalist’ die zichzelf actief betrekt in zijn verslag. In het titelgedicht ervaart de ik zelf het spel met licht en duisternis dat zo kenmerkend lijkt voor de beschreven middeleeuwse mentaliteit:

    Verdwaald in licht, de onaardse materie,
    vind ik mij in groeiend duister weer.


    Maar ondanks de beschreven betrokkenheid blijft de toon steeds afstandelijk. Ten Berge citeert veelvuldig, vat samen en duidt, op zoek naar een plek waar hij tegelijkertijd historicus, criticus en lyricus kan zijn. Die laatste stem vindt hij pas helemaal aan het einde van de bundel, maar dan kan hij ook ineens verrassend klassiek uit de hoek komen. Zo kan het slot van de bundel zich zomaar verliezen in schilderingen van herfstig licht. Als was dat hele religieuze, filosofische en historische onderzoek slechts een opmaat naar een wijze om het tijdloze van de lichtval te beschrijven; zie ‘Oktober’:

    Gefilterd door een bladerkroon van beuken
    dringt het licht tot in het okergeel tapijt
    op ingesleten paden.
     
    De kruin dunt uit, de kroon
    verkwijnt, de koningsbeuk
    doet afstand van de zomer.

    Hij rouwt noch kreunt
    op kwade dagen, takken
    zwiepend in de wind
     
    Blijft een winter lang daar

    staande slapen tot het eerste blad
    zich in de voorjaarslucht ontvouwt.

     

    De ik is inmiddels nergens meer te bekennen. Alsof al dat voorwerk slechts nodig was om weer klassiek te mogen dichten over de eeuwige wederkeer van de seizoenen, om de natuur weer te laten spreken zonder inmenging van het dramatische menselijke gedrag. Maar ook om het tijdloze genot van een ontwaken op een besneeuwde morgen in beeld te kunnen brengen. Dat samenvattende genot krijgt de eer van de slotregels van Splendor toebedeeld. De haast mystieke, serene rust van een stille besneeuwde morgen:

    [dat] je gonzend van geluk
    
de dag begon en uit het zolderraam
    de eeuwen en de witbestoven akkers
    naast de landweg overzag,
    en er niets was dat die vervoering brak –
    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2016
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2017-1