Recensies

  • Gedichten

    Pasternak
    Gedichten

    Een gemberrood bos dat gloeit als een kruidkoek

    Boris Pasternaks naam is onverbrekelijk verbonden aan die van zijn laatste grote werk, de roman Dokter Zjivago, die hem wereldfaam bracht en waarvoor hij in 1959 de Nobelprijs toegewezen kreeg. Die aanvaardde hij aanvankelijk ‘ontroerd en dankbaar’, maar hij moest hem even later onder druk van de Sovjetautoriteiten weigeren. In zijn vaderland werd een hetze tegen hem gestart, die hem zeer aangreep. Kort daarna, in 1960, overleed hij aan een hartaanval, 70 jaar oud.

    Deze turbulente gebeurtenissen in de laatste jaren van zijn leven en het boek dat daarvan de oorzaak was, lijken ons het zicht te benemen op alles wat Pasternak vóór en naast Dokter Zjivago heeft geschreven, dus in wezen op het grootste deel van zijn oeuvre, en met name op zijn poëzie.

    Want Pasternak was in de eerste plaats dichter. Het proza dat hij schreef is typisch het proza van een dichter, meer gericht op klank en beeld dan op verhaallijn en plot. Hij was ook een betere dichter dan prozaschrijver en daarom is het goed dat er nu eindelijk, 56 jaar na zijn dood, eens een uitgebreid overzicht van dit rijke poëtische oeuvre is verschenen, in een geweldige vertaling van het duo Margriet Berg en Marja Wiebes. De laatste heeft het verschijnen van deze uitgave helaas niet meer mee mogen maken.



    Pasternak begon na een halverwege afgebroken opleiding tot musicus omstreeks 1912 gedichten te schrijven. Het was de tijd van het symbolisme en van allerlei experimenten, maar vooralsnog hield Pasternak zich aan de geijkte versvormen, gedichten met rijm en metrum. Al meteen echter treft zijn volstrekt originele beeldspraak. In het eerste gedicht uit deze bundel, het titelloze gedicht dat begint met de regel ‘’t Is februari. Schrijf erover!’, wordt de lezer getroffen door de regel ‘waar roeken zich vanuit de bomen,/ Alsof ’t verkoolde peren zijn,/ In poelen storten.’ Roeken die zich als verkoolde peren in poelen storten. Hoe verzin je zo’n beeld? En toch maakt het geen vergezochte indruk. In ‘Augustus’, een gedicht uit 1953, dus uit Pasternaks laatste periode, luidt de zesde strofe:

    En jullie liepen langs het smalle pad

    Waar kaal en trillend elzen groeiden

    Naar het gemberrode bos bij ’t kerkhof, dat
    Van verre als een kruidkoek gloeide.

    Een bos dat gemberrood is en gloeit als een kruidkoek! En daar blijft het niet bij, elders hangt ergens een maan als een pannenkoek met room. Bij Pasternak wordt de natuur regelmatig beschreven in huiselijke, ja culinaire beelden.

    Die natuur is dikwijls antropomorf, zij gedraagt zich en handelt als een mens. Uit ‘Spasskoje’:

    ’t Bos is moedeloos, zou nu wel graag willen slapen,
    Lang en diep, in een berenhol onder het ijs.
    
En het parkje staat tussen de stammen te gapen

    Als een necrologie met een rouwrand omlijst.
     

    Een bos dat moedeloos is en wil slapen, een parkje dat tussen zijn eigen stammen staat te gapen. En dan die laatste hoogst originele vergelijking: ‘Als een necrologie met een rouwrand omlijst.’

    Gemakkelijk is de natuur niet. Het begin van ‘Mijn zuster het leven’, het titelgedicht van de bundel waarmee hij in 1922 doorbrak, luidt:

    Mijn zuster – het leven – sloeg striemend als regen
    In het voorjaar vandaag tegen iedereen aan.

    Maar mannen met dikke horloges zijn kregel

    En bijten beleefd, als een slang in het graan.


    De laatste twee regels van deze strofe zijn overigens een voorbeeld van de manier waarop Pasternak de lezer regelmatig voor raadsels stelt. Wat moeten die mannen met dikke horloges daar, en waar slaat die vergelijking met een slang in het graan op? Pasternaks associatievermogen is voor de moderne lezer niet altijd even goed bij te benen.

    Natuur en liefde zijn de thema’s uit de eerste helft van zijn leven. Later komt daar nog de dood bij, zie het hierboven al genoemde gedicht ‘Augustus’, waarin de dichter droomt over zijn eigen begrafenis, en dat parkje in Spasskoje dat als een rouwbericht is.

    In de jaren twintig verandert Pasternaks poëzie onder invloed van het werk van Majakovski en Marina Tsvetajeva (twee uitgesproken modernistische dichters), dat diepe indruk op hem had gemaakt. Hij heeft toen een paar lange, verhalende gedichten geschreven over revolutionaire onderwerpen. Kenmerkend genoeg niet over de recente Oktoberrevolutie en de Burgeroorlog, maar over de revolutie van 1905. Het lange ‘Luitenant Schmidt’ is daar een voorbeeld van. Hier heeft hij de vaste versvorm overboord gezet en is veel vrijer gaan dichten. Dat was toch niet helemaal zijn ding. Eind jaren twintig is Pasternak alweer terug bij de hem vertrouwde versvormen met originele inhoud.

    Pasternak vertalen is iets dat je je ergste vijand niet toewenst. Weinig dichters stellen hun lezers, en dus hun vertalers, zo vaak voor raadselen, en weten die raadselen in een zo rijke, meeslepende vorm te gieten. Die vorm hebben de vertaalsters met meesterschap weten te handhaven en de raadselen ook. De Nederlandse vertaling van Pasternak is een hoogtepunt van poëzievertaalkunst.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2016
    RecensentArthur Langeveld
    Editie2017-1