Recensies

  • Hingje net alle klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok

    Tsead Bruinja
    Hingje net alle klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok

    Wie vangt?

    De elfde bundel van Bruinja heeft een opvallend felgeel omslag. Een kleine waarschuwingsdriehoek met uitroepteken draagt daar nog aan bij: het gaat hier om een niet te negeren advies of misschien zelfs een voorschrift. Niet alleen het omslag, maar ook het binnenwerk van de tweetalige bundel wekt deze indruk, met het lichtgrijze papier en de inhoudsopgave die aan die van een handleiding doet denken.

    De eerste afdeling, ‘in de kou een vriend vinden’, is opgedragen aan Titus Brandsma, de karmelieten- pater en mysticus die al vroeg waarschuwde voor de gevaren van het nazisme. In 1942 werd hij door de Duitse bezetter opgepakt en naar kamp Dachau gebracht, waar hij een half jaar later overleed. Brandsma was een voorbeeld van iemand die zich inleefde en ‘een thuis vond’ in de ander. Het mooie aan deze gedichten zijn de abstracties die uiteraard niet alleen over toen maar ook over nu blijken te gaan: ‘het grootste gelijk van de wereld/ heeft handlangers// het oudste gelijk kent alleen/ voorbijgangers’.

    Aan de tweede afdeling ontleent de bundel zijn titel. Enig speurwerk op Taalweb Frysk leert me dat het zoveel betekent als: men moet niet alles op één kaart inzetten. In combinatie met de gedichten krijgen die woorden er echter nog een betekenis bij: scheer niet iedereen over één kam. Sterk klinkt hier het engagement:

    ik kwam de zee over

    voor de politiek van de liefde

    voor de kliniek van de klinische dood
    ik kwam de zee over

    met mijn levende lichaam

     

    of elders:

     

    het was onze eerste winter hier

    elke dag namen we een hap uit de zon
    die anders was dan thuis
     
    kouder zeiden we eerst
    schoner zei jij al redelijk snel

     

    Ook lezen we: ‘ieder krijgt zijn taal/ en de macht daarover// ik kreeg er twee/ en de nacht erover’. Veelzeggend, aangezien deze gedichten in het Fries geschreven zijn en door de dichter zelf zijn vertaald. Twee talen beheersen betekent twee keer zoveel macht over wat je wil zeggen, maar ook twee keer zoveel duister als de nacht valt en de taal an sich geen redding is gebleken of sterker nog, ook kwaad kan: het gebruik van de verkeerde woorden is gif. Maar Bruinja’s taal doet goed, door die muzikaliteit gepaard aan grote sociale betrokkenheid.

    Zoals ook in de derde afdeling, ‘Voorlopig land’, een lang cyclisch gedicht dat deel uitmaakt van een videokunstwerk. Al raakt niet elk gedicht de kern, toch prijken hier pareltjes: ‘vorm krijgen/ vorm aannemen// omdat je hem hebt/ stel je een grens’.

    Het zijn gedichten over grenzen, die je soms moet stellen, die je vaker nog het liefst zou laten vervagen, want zoals gesteld in ‘geld en kleren’: ‘wij groeien in dezelfde vaas/ ons water komt uit dezelfde gieter/ en wat of wie weet is het maar één paar handen/ dat ons knijpt en knipt’.

    De slotcyclus, ‘ze kwam voor een huwelijk’, laat zich lezen als een duister sprookje en speelt zich af in een terpdorp waar ‘iedereen die ergens vandaan kwam’ een naam krijgt. Op een dag spoelen een moeder en haar druipende kind aan. Rampspoed overvalt het dorp: er staat water in de kelders en de oogst mislukt. Het kind kan nergens verkoeling vinden en blijft steeds maar om zijn vader roepen (die volgens zijn moeder ‘van plastic’ is). Uit wanhoop zet zij de wet van de natuur naar haar hand en roept het water.

    Het zoeken van toenadering tot De Ander beperkt zich niet alleen tot de medemens, maar ook tot de grote wijde wereld, het milieu, onze planeet. En die boodschap, in deze gedichten, verdient haar uitroepteken.

    UitgeverAfûk
    Jaartal2018
    RecensentVicky Francken
    Editie2018-3