Recensies

  • Het vermoeden van witten

    Henk Ester
    Het vermoeden van witten

    Van oerknal tot oermens

    Henk Ester schrijft poëzie waar je wel wat geleerdheid bij kunt gebruiken. Dat deed Achterberg ook, met z’n coelacanthen en osmoses maar bij hem heb je het gevoel dat hij het uit een, soms wat onnozel, ontzag deed. Ester daarentegen is een echte academicus die dat niet onder stoelen of banken steekt. In het eerste gedicht is het direct raak. We moeten naar de encyclopedie voor ‘diatomaeën’ en ‘Diotima’. Woordassociaties natuurlijk maar waar slaan ze op? Nu, diatomaeën zijn een soort eencellige algen met een uitwendig skelet en Diotima was een priesteres, genoemd in Plato’s Symposium die Socrates heeft beïnvloed. Het gedicht gaat zo:

    Dialect

    Van diatomeeën heeft de nacht een taal gemaakt
    het geraamte van gebaren, rotsen rijzen in mijn
    hand kostelijke wijnen, meesterlijke tuinen aan
    elke kant een weergaloos vertrek – Diotima?
    op hoogte zijn wij aangewezen, een dialect
    in de diepte waterwegen, hoor, het zicht is
    goed in de geest van diatomeeën uitgelekt

     

    Allemaal zeer geheimzinnig. En geheimzinnigheid is ook wel een sleutelwoord voor Esters poëzie. Hij heeft zich namelijk voorgenomen niet minder dan het ontstaan van het bestaan, de taal, de mens in zijn gedichten op te roepen. Niet met sappige beelden, lekker plastisch maar zoals het geweest moet zijn, kaal, elementair, minimaal, natuurkundig, met in zijn achterhoofd de wezenlijke vraag van theoretisch natuurkundige Lisa Randall die als motto dient: ‘Welke asymmetrie voorkwam dat materie en antimaterie elkaar volledig vernietigden?’ Niet toevallig vallen de namen van componisten als Philip Glass en Galina Oestvolskaja in zijn gedichten; als Esters gedichten al lyrisch zijn dan van een compromisloos lege en witte soort, met die titel Het vermoeden van witten.

    Zo’n uitgepuurde bundel, waaruit al het overbodige en persoonlijke geschrapt is, heeft vanzelf een hoog soortelijke massa: elk woord telt. Er wordt van de lezer dan ook een flinke inspanning gevraagd om het allemaal te volgen, ‘het refrein te kraken’ zoals het ergens heet. Leven, beleving, menselijke beschaving, zijn hier nog nauwelijks aan de orde: ‘Nog regeert de ruimte en schittert het skelet’. Als er al personages en tastbare elementen in zijn gedichten voorkomen dan van een merendeels onbekende soort: Van Domselaer, de Naledi-mens, Hortulanus Knoop, zwart nr. 8, K.1846. Opzoeken maar weer.

    In het gedicht ‘Hier’ zegt Ester iets wat op de hele bundel kan slaan: Hier/ is alles goed te zien/ niet zoals het was/ dat komt later’. Oftewel, onze versiering van de werkelijkheid, het levenssap, de plastiek, het terugblikken is iets voor de nostalgie die in deze wereld van de oerknal, eencelligen, primaten en oermensen nog helemaal niet aan de orde is. Hier heerst alleen het heden, en daarmee ‘de vreugde van vergetelheid’.

    Ester doet in Het vermoeden van witten, net als in zijn twee vorige bundels, een hoge gooi. Een compromisloze gooi ook, je moet als lezer voorbereid zijn op het kaalste en kernachtigste. H.C. ten Berge, in zijn vroege poëzie ook gefascineerd door primair leven, is er een jolige clown bij vergeleken. Eentonigheid is daarbij een haast vanzelfsprekende eigenschap van deze bundel, nergens springt de maker uit de band of geeft hij blijk van zijn eigen aanwezigheid. Hier nog een proeve van zijn werk:

    Te binnen
     
    weten is meer dan mogelijk
     
    stemming atomen tijd emergent wit
    licht op handen weidt
     
    Witten
    
meer te binnen
     

    Henk Ester is een streng, hiëratisch dichter, wiens werk fel afsteekt tegen het hoge babbelgehalte van veel hedendaagse poëzie. Zijn gedichten zijn dor en droog, elementair, gesloten en onpersoonlijk maar fascinerend door hun poging iets van ons oerbesef in kaart te brengen.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2018
    RecensentRob Schouten
    Editie2018-3