Recensies

  • Roeivlucht

    Mark van Tongele
    Roeivlucht

    ‘Hoezee voor de poëzie!’ 

    ‘Doe je mee?’ vraagt Mark van Tongele (1956) in het openingsgedicht van Roeivlucht. ‘Zich een zeespiegel voorhouden:// doorruisende woorden waarin doods-/ gedachten oplossen, even vrij zijn.// Ik vind het leuk jou die te geven. Dat het doodaardig mag worden!// In dit kolkgat, waarin wij roezemoezend/ ons afjakkeren en opdirken voortdurend (…)’ Daarop volgt een aansporing om mee te ervaren: ‘toe!’ 

    De ervaring die Van Tongele biedt is een montere onderdompeling in de taal in een poging te overleven. Dat klinkt wellicht dramatisch, maar taal lijkt voor Van Tongele een eerste levensbehoefte. Daarbij beleeft hij ook – en bovenal – een hoop plezier aan de taal. (In een van de gedichten verwijst hij naar de dichter als ‘taalpretmedewerker’ – ongetwijfeld ironisch bedoeld, want van zo’n woord krijg je spontane ‘taaljeuk’). In Roeivlucht neemt hij het concept ‘leven’ onder de loep en dan vooral het dichtersleven in een talig universum. Zoals in ‘Het is een lieve lust!’: ‘Almaar dieper het zijn in. (…) IJsmist. Onderkoeld, desal-/ niettemin met vernieuwde// onrust de eigen donkerte/ verkennen elke dag weer.’ 

    De Vlaamse Van Tongele is in Nederland om onduidelijke redenen niet zo bekend. Oorspronkelijk had hij ambities op medisch gebied, maar hij moest zijn studie geneeskunde afbreken na een zwaar verkeersongeval waardoor hij een tijdje in coma lag. Daarna wijdde hij zich aan de poëzie. In 1994 debuteerde hij met de bundel Zij gedichten. Hij was met Tonnus Oosterhoff een van de eersten die aandacht had voor digitale poëzie. Sporen van die interesse zijn in deze bundel zichtbaar in de vorm van opvallende zins- en woordafbrekingen. Daardoor ontstaat een spel waarin de betekenis wordt ondersteund door de vorm van het gedicht, zoals in ‘Glijroeien’: ‘O ontoegankelijke zeew/ ind. Elke zin is een opvlieg/ end zandstrand verg/ aan.’ 

    Regelmatig is Van Tongele in zijn gedichten op het strand te vinden. De associatie van de dichter die als een soort strandjutter de kustlijn van het leven afspeurt naar fonkelende taalschatten tussen het zand, is niet ver weg. Waar het dichtershart van overslaat zijn bijzondere namen van flora en fauna. In ‘Woordwerkplaatsenergie’ – een tenenkrommende titel, maar soit – geeft hij een mooie opsomming, een kleine greep: ‘warkruid’, ‘boskartelblos’, ‘bottelroos’, ‘zeepostelein’, ‘dauwnetel’ en ‘kraaiheide’. Hij houdt ook van staande uitdrukkingen als ‘hand in eigen boezem’ en ‘als het water aan de lippen staat’. En dan zijn er nog de zelfbedachte taalvondsten als ‘hellebaarhiers’, ‘lijfliederig’, ’tongzakenkornuit, ‘tongbenig’ en ‘zonvermoed’. Veelvuldig gebruikt lievelingswoord is ‘parelmoer’ en daarvan afgeleide woorden als ‘parelmoerbliksemse.’ 

    Roeivlucht, de titel van de bundel, is de baltsvlucht van de zwarte stern, waarbij het mannetje zich met een prooi in de snavel uitslooft voor het vrouwtje. Inderdaad, zoals Van Tongele een balts uitvoert voor de lezer. Saillant detail: de zwarte stern staat op de Vlaamse rode lijst van broedvogels die helemaal niet meer voorkomen in België. Zou hij hiermee ook willen verwijzen naar een uitstervende liefde voor de taal? Van Tongele voert een heerlijk schouwspel op voor wie zich aan de taal wil verlustigen, maar gepronk alleen volstaat niet. Is er ook een (stevig) nestje te bouwen met Van Tongele? Of is het vooral taal om de taal? 

    Regelmatig laat de dichter zijn poëtica doorschemeren, zoals in: ‘Wil je me de dag aangeven?’ Hij dicht: ‘Terwijl ik al sprekend voort-/ leef, in wording verkeer (…) onze doodgedwongen betrachting om/ hoewel gedoemd om bedenkelijke/ buitenstaander te blijven, toch even/ zeer hartstochtelijk ingewijde in/ het eigen levensproces te willen zijn. (…) Lust voor een kopje ochtendrood?// Voor de roeivlucht is kracht nodig.’ 

    Let op dat woord ‘doodgedwongen’, niet te verwarren met ‘noodgedwongen’ of ‘doordrongen’. Hij maakt (subtiel) gebruik van alliteratie en binnenrijm. De ‘ik’ is als dichter ‘gedoemd om bedenkelijke buitenstaander’ te zijn. Hij lijkt dat te betreuren want is net zo graag een ‘hartstochtelijke ingewijde’. Iets wat we maar met een korreltje zout moeten nemen, want vervolgens dicht hij weer vrolijk metaforisch over zijn eigen taalvondsten buitelend verder over een ‘kopje ochtendrood’. 

    Om met Hagar Peeters te spreken: ‘Het leven laat zich maar al te graag liever beschrijven dan beleven’. Eigenlijk zegt de ‘ik’ dat er afstand vereist is voor zijn talige bespiegelingen. Geen filosofische gedachte of diepzinnig hoogstandje. Zoals de meeste bespiegelingen over het leven in deze gedichten zich vrij gemakkelijk laten samenvatten. Toch valt er genoeg te beleven, maar dat zit ‘m vooral in de klank en in de verrassing van de woorden; meer dan genoeg om je aan te laven. Om zo onbeschaamd de taalvirtuoos uit te hangen vereist kracht, of misschien wel moed. Daaraan ontbreekt het de dichter niet. Hij heeft de reputatie geheel zijn eigen koers te varen. 

    Wat hij vooral laat zien is een diepe liefde voor de poëzie, die het leven aangenamer of draaglijker maakt, zoals hij toont in ‘Zwemmen in taal-’: ‘Als je na het lezen uit het gedicht/ weer naar de dagsleur drentelt// en eerst tot de borsten dan nog/ tot aan de knieën in de woordzee/ staat, voel je gaandeweg hoe/ je steeds zwaarder wordt.// Hoezee voor de poëzie!’ Mooi, hoe hij hier de gewichtloosheid van zwemmer en poëzielezer met elkaar vergelijkt. 

    Van Tongele begint de bundel met een aansporing en eindigt met een resumé: ‘roer je parelmoer/ eens aan, als het je lief is!’ Daartussen een hoop aanstekelijks. 

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2021
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2021-3