Recensies

  • Half heel

    Florence Tonk
    Half heel

    Op zoek naar een plek om te aarden 

    Het is een onzekere wereld in Half heel, de nieuwe bundel van Florence Tonk – zowel het stormachtige buiten als het binnenste waarin al dat geweld binnendringt. Het doet de behoefte groeien ‘de dingen [te] dempen,/ wat je wilt delen/ uit schaamte [te] verstoppen’, te vluchten in de rust en troost van de natuur. De lyrische ik steekt de vingers in de grond, zaait komkommers, tomaten en sla op het eigen balkon: een plek van geborgenheid, die worteling brengt in alle ‘gedachten, associaties/ door boeken’. 

    Want het geschreven woord is niet vanaf het begin een vriend. Tonk legt het helder uit: ‘opschrijven is vastleggen/ kiezen, plaats innemen’ en dat past niet goed bij iemand die zo twijfelachtig in de wereld staat. Het verdient de voorkeur om ‘alleen te blijven/ verstomd en oeverloos te schaven/ aan je spinsels, je betoog’, wordt in een later gedicht nog explicieter uitgelegd. 

    Die onzekerheid over de eigen positie in de wereld komt niet alleen in het openingsgedicht naar voren, maar klinkt in de hele bundel door. In ‘Voor H.’, bijvoorbeeld, waarin de ik een ander oproept tot pijniging met blijvende sporen: ‘Kras in mij/ zo hard/ dat het nog heel lang/ zichtbaar blijft.’ 

    Soms wordt die twijfelende positie juist omvergeblazen door een toneelstukje van ogenschijnlijke overtuiging. In ‘Wiegelied voor de stad’ zijn we bijvoorbeeld getuige van de reis van een gehaaste stedeling, die zich door openbaarvervoerspoortjes wurmt, vliegvakanties boekt, feest, sport of zelfs yogaklasjes boekt. Deze gespeelde overtuiging is flinterdun, voelen we: er hoeft maar weinig te gebeuren om deze stadsmens de afgrond in te helpen. 

    Het is een uitputtend spel dat niemand lang volhoudt, zo wordt duidelijk als we de ik door stadsparken zien hollen, zien bootcampen, horen roepen dat anderen in de weg lopen, aan de kant moeten gaan. Naarmate de bundel vordert, blijken steeds meer basisbehoeften niet langer te kunnen worden bevredigd: ‘dat obsessief strijdende/ lichaam’ moet ook nog worden gevoed, maar er is simpelweg te veel haast. 

    Gelukkig vindt de ik een uitweg in de natuur: niet alleen in de eigen tuin, zoals in het openingsgedicht, maar ook in het kijken naar het dierenrijk, waarin niet wordt gehaast of opgejaagd. Neem bijvoorbeeld kauwtjes: die ‘leggen zich helemaal nergens bij neer/ leven op hun eigen tijd’. In het tweede deel van de bundel vindt de ik in die natuur een plek: hier wordt de liefde bezongen voor een eigen lap grond, met plakkende klei en om zich heen etende naaktslakken. Dit is de plek om te wortelen, al is het maar omdat het mogelijk is deze aarde niet te zien ‘als een vloer van ragfijn porselein/ waar licht doorheen kan schijnen’ – nee, dit is vaste grond 

    onder de voeten, zolang je er zelf maar in gelooft. Hier blijkt toch de winst van de verbeeldingskracht, die je kunt gebruiken om jezelf en de wereld om je heen op hun best voor te stellen. Te midden van de schoonheid en rust van de natuur ontstaat de mogelijkheid ‘op je hoofd te vertrouwen’ – een hoofd dat nog beter kan aarden door meer te lezen en dat meer verbeeldingskracht krijgt door poëzie. Door die kracht te voeden, open je nieuwe werelden. 

    Wanneer het moederschap het bestaan van de lyrische ik binnentreedt, ontstaat er een nieuwe werkelijkheid – een die rust biedt, met de bewondering voor kleine vingers en teentjes, voor eerste woordjes en troost bij een val. Het is het moment in het leven én in deze bundel waarop de aandacht verschuift van het zelf naar een ander, naar een aards oerproces dat het eigen krampachtige denken overstijgt. 

    Ook het levenseinde krijgt in de bundel een plaats: Tonk wijdt een apart deel aan ‘papa Kachelpijp’ en het proces van overlijden, crematie en rouw. Die gebeurtenissen lijken sturend als we bepalen wat in het leven het belangrijkst is: niet onze vluchtige telefonische contacten, die ons juist alleen maar eenzamer maken, niet de stroom aan taken die we onszelf opleggen; maar het luisteren naar ‘echte verhalen, soms/ raar, tragisch en zelden/ eenvoudig, eenduidig’. Begin met voelen, moedigt Tonk de lezer aan: alleen dan kunnen we wortelen en aarden in de brokkelige wereld die ons leven heet.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2021
    RecensentAnne van den Dool
    Editie2021-3