Recensies

  • Het web van omtrek

    Paul Demets
    Het web van omtrek

    Op het canvas van Raveel 

    Nu het een eeuw geleden is dat hij werd geboren, staat het werk van schilder, tekenaar en graficus Roger Raveel dit jaar volop in de belangstelling. Al vroeg in zijn carrière kwam de Vlaamse kunstenaar tot een interessante artistieke samenwerking met dichters als Hugo Claus en Roland Jooris. Het PoëzieCentrum blaast de uitwisseling tussen het beeld van Raveel en het woord van de dichter een nieuw leven in. Eerder verscheen al Met heldere verf en verlangen (2021), waarin 32 dichters de dialoog aangaan met het werk van Raveel. Nu is daar de bundel van Paul Demets; de dichter bewerkt daarin poëzie die tussen 1988 en 1993 ontstond uit zijn fascinatie voor het werk van Raveel, die een streekgenoot van hem was. 

    Hoewel de reproducties ontbreken in Het web van omtrek, is de aanwezigheid van Raveel op meerdere niveaus voelbaar. Enerzijds is er de visuele suggestie, opgeroepen door de afbeelding op het omslag. Het iconische beeld van de pet is immers talloze malen gebruikt door de kunstenaar om de eigen aanwezigheid op het doek aan te duiden. Anderzijds is er de paratekst, de toelichting waarin Demets schetst hoe de bundel tot stand kwam, op basis van zijn sterke band met een visueel kunstenaar. Zoals Demets het zelf zegt: ‘Ik had mijzelf in Raveels werk gevonden’. 

    Voor de lezer die bekend is met het werk van Raveel lijkt het in eerste instantie onmogelijk om de gedichten als een autonoom literair product te ondergaan. Ook zonder het bijbehorende kunstwerk voor ogen te hebben, zijn in de tekst elementen herkenbaar die tot het universum van Raveel behoren: geometrische vormen, kamers, ramen. Ook de titels van afdelingen, zoals ‘Binnenskamers’ en ‘Buitenruimte’ verwijzen naar terugkerende thematiek in Raveels werk, dat vaak een figuur afbeeldt die naar buiten lijkt te kijken. Een dergelijke ambivalentie kan verlammend werken: waar dient de focus van de lezer te liggen, in het visuele werk of in het literaire product? 

    In zijn toelichting reikt Paul Demets zelf de sleutel aan voor de omgang met de intermedialiteit in deze bundel: hij noemt het werk van Raveel het ‘canvas’ waarop hij zijn eigen wereld in woorden vormgeeft. Dat wil zeggen, hoewel het beeldende werk er onmiskenbaar deel van uitmaakt, is de interactie tussen Demets en de kunst van Raveel vastgelegd in een poëtische vorm en daardoor een literair artefact geworden. De dichter creëert een eigen universum; voor elk gedicht is een werk van Raveel slechts het vertrekpunt. De vraag is dan ook: welke route volgt de tekst van Het web van omtrek vanaf dit startpunt? 

    Allereerst schetst de dichter zelf het filosofisch kader dat zijn poëtica bepaalt; de ideeën van de fenomenoloog Merleau-Ponty brengen hem ertoe zijn gedichten te baseren op de waarneming van de werkelijkheid. De uitspraken van de filosoof fungeren ook als ondertitel voor de Ingebed tussen de citaten van Merleau-Ponty en de titels van Raveel is de poëzie van Demets uiterst gestructureerd: 7 afdelingen van 7 gedichten; op een enkele uitzondering na, bestaan alle gedichten uit 12 regels. In deze beheerste organisatie beweegt de poëzie zich gecontroleerd tussen twee polen: tussen het zintuiglijke en de verbalisering daarvan. Van een lyrische ‘ik’ kan in feite niet gesproken worden: de instantie die zich uitdrukt in de gedichten, meestal een ‘ik’ en hoogstwaarschijnlijk een man, spreekt niet over gevoelens. 

    Met name in de scènes die de liefdesrelatie exploreren, lijkt Demets extra afstand te nemen: ‘Ik neem slechts waar, heb enkel oog/ voor de spiegeling van je hand door je haar’. Uiteraard is het visuele leidend, want ‘er is geen ontkomen aan het kijken’. Maar vaak interacteren verschillende zintuigen tot de ervaring van synesthesie, zoals in de fragmenten ‘hoe klinkt wit?’ en ‘het wit van je geur’. In lijn met het idee dat een waarnemingsveld mede wordt bepaald door leegtes, staat het wit in al zijn vormen centraal in de optische wereld van Demets: het (tafel)laken, melk, sneeuw. Van belang is vervolgens om dat wat zich aan de zintuigen voordoet, in de taal onder te brengen. Een vervreemdende dynamiek, want ‘taal/ tekent de wereld, maar is die niet’. 

    Het is veelzeggend dat Demets, wanneer hij reflecteert op de positie van de dichter, de distantie niet kan handhaven. De eerste kennismaking met het schrijfproces gaat gepaard met verwondering over wat het schrijven teweeg brengt: ‘De lijnen stonden op een kier. Mijn vingers trilden./ De letters keken verschrikt en blonken nog,/ nat van het blauw’. Zijn streven is ‘opgaan in mijn taal, diep geworteld, sprakeloos/ van de aarde zijn en van haar geweld’. Hier kruipt alsnog de emotie binnen in de grotendeels afstandelijke wereld van deze dichter. afdelingen in de bundel; zij voegen zich daardoor in de tekst van Demets. Daarnaast neemt de dichter onderaan elke pagina referenties op aan het kunstwerk waarnaar het gedicht verwijst en de vindplaats ervan. Door steeds de titel van het kunstwerk met het gedicht te verbinden, gaat deze referentie er onherroepelijk deel van uitmaken, eens te meer omdat de gedichten titelloos zijn. Overigens herinnert de grafische weergave van deze referenties, opgenomen tussen twee streepjeslijnen, aan een geometrisch thema in het werk van Raveel. 

    UitgeverPoëziecentrum
    Jaartal2021
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2021-3