Recensies

  • Aarduitwrijvingen

    Charlotte Van den Broeck
    Aarduitwrijvingen

    Een steen op de keel

    In het eerste ritueelgedicht van de Amerikaanse CAConrad (uit A beautiful marsupial afternoon), bezoekt de dichter Emily Dickinsons huis, en neemt wat aarde mee uit haar tuin. Thuis smeert de dichter het hele lichaam ermee in en schrijft een gedicht. Daaraan moet ik denken bij het woord Aarduitwrijvingen, de titel van de nieuwe bundel van Charlotte Van den Broeck. En warempel: het woord blijkt te komen van kunstenaar Herman de Vries, die op zoek was naar verschillende soorten aarde en vrienden handjes aarde liet meebrengen van over de hele wereld, om die aarde uit te wrijven op een doek. Ik lees dat in een mooie brief uit een correspondentie tussen Van den Broeck en filmmaker Jana Coorevits. Daarin beschrijft Van den Broeck hoe landschap voor Coorevits een plek van herinnering is, een litteken. En verderop dat poëzie de werkelijkheid vervormt. Van den Broeck vraagt zich af: ‘Kan ik iets zeggen over de kwetsuren van een ander zonder ze mij toe te eigenen?’


    in de val van de bergkom 
    wellen de duinen, kolkingen 
    in het zand, luisteren 
    naar de verborgen delen 
    je ziet de rotsen. het scherpe, de materie 
    maar wat je ziet beweegt zich erdoorheen 
    paars en azuur sijpelt 
    het bloed 
    uit de ingewanden van de steen 

    Ja. En nee. Dat moeten we concluderen uit dit prachtige gedicht met de titel ‘Het binnenste van een steen’. We lezen niets over de kwetsuren van de dichter, we zien alleen het landschap door haar ogen, maar wat lezen we tegelijk veel over de ogen. Steen heeft immers geen ingewanden. En toch ook weer wel, want je zou de gangen en banen in rots waardoor water stroomt best ingewanden kunnen noemen, dus terwijl we denken heel veel over de ogen van de dichter te lezen, hoeft dat ook weer niet zo te zijn. En daarbij: is iedereen niet gewond? Zijn dit dus niet ieders ogen, en is deze blik daardoor niet ook objectief? 

    Die vraag – is het objectief? – is een merkwaardige vraag die impliciet vaak gesteld wordt in de Nederlandse poëzie. Een dichter ‘experimenteert’, ‘observeert’, ‘onderzoekt’, alsof een dichter in een laboratorium werkt. Die wetenschappelijke blik onthecht niet alleen, het maakt wat gadegeslagen wordt ook tot ding. Zo wordt de vraag die Van den Broeck in de brief stelde: kan ik een kwetsuur bezien zonder het tot object te maken? En daaronder: behelst het tot object maken van iets een kwetsuur? Een van de beste gedichten uit de bundel, ‘Aan de parkvijver’, is een uitgebreide beschrijving van de paring van twee roodwangschildpadden. ‘Paring’ zeg ik, en Van den Broeck beschrijft het ritueel echt alleen zoals het gaat, maar je kunt je als lezer toch niet aan de indruk onttrekken dat er een verkrachting plaatsvindt. 

    zij houdt uit alle macht de streling af 
    wie niet wil zien 
    denkt nu misschien aan een omhelzing 
    terwijl zijn nagels dieper klissen 
    in haar huid haar oksels onder de schildrand 
    en zonder het te willen 
    flakkert er iets in haar op 
    een giftig genot heel even maar 

    Bepaald ontstellende regels zijn dat. Zeker als je bedenkt dat Aarduitwrijvingen volgens de flaptekst de relatie tussen de natuur en het feminiene onderzoekt. Tegen wie daarbij denkt aan woorden als ‘vruchtbaarheid’, ‘voortbrengen’, ‘begin’, ‘leven’ – en ik ben wel zo iemand (ik vermoed dat dit een mannelijke blik is) – zegt Van den Broeck: jawel, maar ook geweld, pijn, eenzaamheid. De vrouwtjesschildpad – en daarmee: het feminiene – is in het paringsritueel object, en ook in zekere zin juist volledig afgesneden van de natuur. 

    Bijna meteen daarna vinden we het gedicht ‘Genezingen’, alsof het bedoeld is als antwoord op een vraag die de vrouwtjesschildpad zou kunnen hebben: hoe ga ik om met deze verschrikkelijke onzichtbaarheid? Het is een gedicht naar Hildegard van Bingen. ‘om weer te leren spreken moet je een blauwe steen op je keel leggen’, zo begint het. En het eindigt zo: 

    wanneer je jezelf verliest in de ban 
    dan zal de steen je vasthouden zoals jij de steen 
    stevig in de hand houdt 
    om de paar passen achteromkijkend 

    Bij ‘de ban’ denk ik aan de afgesnedenheid van de vrouw tjesschildpad. En bij de steen denk ik weer aan CAConrad, die kristalstenen inslikte en uitpoepte om te genezen van het trauma van de brute moord op hens partner, en aan de schitterende bundel While waiting in line for death die daaruit voortkwam. Een van de dingen die je moet doen na zo’n trauma is leren weer lichaam te worden, weer een plek te zijn waarin pijn kan bestaan. Misschien is ‘de ban’ – waarin je niet meer kunt spreken – dat je dat niet meer kan. En herinnert de steen – of het kristal – je eraan dat je net zo goed materie bent. Zodat je kunt worden aangeraakt. Iets wat Van den Broeck uiteindelijk doet in de taal. Ze legt een steen op mijn keel. En nee, ze eigent zich mijn kwetsuren zo niet toe. Eerder omgekeerd: ze geeft ze aan me terug. 

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2021
    RecensentJoost Baars
    Editie2022-1