Recensies

  • Dagen in huis

    Roelof ten Napel
    Dagen in huis

    Na de woede 

    In tijden waarin we geregeld te maken hebben met lockdowns, is het niet moeilijk om de titel Dagen in huis op te vatten als een verwijzing naar pandemie-gerelateerd verplicht binnenblijven. De nieuwe bundel van Roelof ten Napel versterkt deze eerste indruk door op de cover Mein Wohnzimmer te tonen, een schilderij van Egon Schiele met daarop een wat benauwd ogende kamer, spaarzaam voorzien van meubilair. Er is in Dagen in huis echter van beperking geen enkele sprake. Integendeel, het gaat in deze bundel om een onbegrensd, doorlopend onderzoek naar begrip, naar taal, naar betekenis. 

    Ondanks zijn jonge leeftijd heeft Roelof ten Napel (1993) een verdienstelijk aantal titels op zijn naam staan: naast drie romans was hij eerder succesvol met poëzie in Het woedeboek (2018) en In het vlees (2020). Zoals de titel al aangeeft, krijgt de woede in Ten Napels eerste bundel vrij baan; de gedichten hebben concrete, korte titels en de taal is scherp. In zijn 208 pagina’s tellende tweede bundel is de dichter nog niet uitgewoed en verzet hij zich tegen de pijn die het gevolg is van zijn religieuze opvoeding. 

    Met Dagen in huis lijkt een omslag te hebben plaatsgevonden: Ten Napel heeft de woede achter zich gelaten. De ingehouden attitude vertaalt zich allereerst naar een bundel van bescheiden omvang. Daarnaast suggereren de titels van de gedichten een zekere onbepaaldheid, zoals bijvoorbeeld ‘Iets over de hand’, ‘Iemand binnen’ of ‘Nog iets over dagen’. Deze niet gedefinieerde uitgangspositie gaat vergezeld van een zoekende, tastende modus operandi. 

    Niet voor niets is ‘handen’ een terugkerend sleutelwoord. Handen als de pootjes van een wasbeer die een appel vasthoudt. Handen die kunnen nemen of geven, maar ook slaan of schrijven, bidden of zegenen. En vooral, handen die aftasten en vastpakken, als metafoor voor het zoeken naar betekenis: 

    Een besef dat me eigenlijk 
    niks bijbrengt. Misschien dan 
    geen besef, iets dat zich 
    voordoet als. De huls ervan? 
    Is er geen beter beeld? Beseffen als 
    het scheppen van water met één hand, 
    waaruit haast niks te drinken valt. 

    De dichter laat de tastende functie van de hand parallel lopen met die van de taal: hoe je kunt stilstaan bij een woord en ‘wachten op wat zich toont’. Tegelijkertijd thematiseert hij de vluchtigheid van een dergelijke poging de zaken te benoemen, want een naam kent dezelfde onbestendigheid als een wolk: ‘Waarin we lijken stil te staan,/ alsof niets ons, waar we ook waren,/ meteen uiteendreef’.

    Roelof ten Napel doet niet aan neologismen, hij is wars van uitbundige taalvirtuositeit. Een passend stijlmiddel is het enjambement, omdat het niet alleen accenten legt en het ritme stuwt, maar vooral omdat het spel met betekenis lagen erdoor versterkt wordt. De machtigste wapens van Ten Napel zijn een verbluffende helderheid en een werkwijze waarin analytisch vermogen en intuïtie samengaan. Vaak begint hij zijn gedichten met een observatie; deze waarneming of gedachte wordt gevolgd door een associatie. De dichter legt een verbinding die hem eigen is, als een weggetje dat hij op eigen initiatief inslaat. De verkenning wordt afgesloten met een metafoor, een oorspronkelijk beeld of een eenmalige zin. Hier is een rigide indeling niet op zijn plaats, de structuur van de bundel is volkomen organisch: van hand naar raam, van raam naar huis, van huis naar leven. Zo kan de gehele bundel als een intuïtief verbonden route gezien worden. Maar de structuur is niet alleen lineair; er zijn ook een tussenliggende verbindingen, als een rizoom waarin de thema’s ondergronds met elkaar verbonden zijn. 

    De lezer krijgt niet alleen het resultaat van dit onderzoekende proces onder ogen, de dichter maakt ook, bijna terloops, inzichtelijk hoe hij te werk is gegaan. Zoals in het gedicht ‘Aan tafel, daar’ waarin de beginregel ‘Een gedachte, omdat ik ermee bezig ben’ het idee benoemt waar de dichter mee begonnen is. Het vormt de inleiding tot een ontroerende reflectie op de vluchtigheid van geluk. Daarnaast analyseert Ten Napel de essentie van de onderzoekende werkwijze die hij zelf hanteert: het definiëren van overeenkomsten en het benoemen van verschillen. De vergelijking staat centraal, een concept waarin de ratio van een wiskundige geest en het instrument van de dichter samenkomen. De thematisering van het begrip ‘vergelijking’ leidt tot treffende observaties, zoals ‘Het gevaar/ van vergelijkingen: ze keren zich/ moeiteloos om’. Maar ook andere analytische concepten als ‘verschil’ en ‘omkering’ krijgen een poëtische context. 

    Met Dagen in huis blijft Ten Napel letterlijk dicht bij huis; hij gaat nauwelijks verder dan de dakrand of de overhemden aan de waslijn. Tegelijkertijd heeft het werk een enorme ruimte, door het aanstekelijk associatief vermogen van de dichter en zijn sprankelende metaforen. Dagen in huis biedt de lezer impliciet ook de poëzie als microkosmos, als veilige haven in woelige tijden. Door dit werk kun je dwalen, nu eens een deur openen, dan weer even uit het raam kijken. Je kunt ook op een willekeurig moment binnenvallen, want er is altijd wel een kamer waar je langer wilt blijven. Als je in zo’n gedicht gaat hangen, kun je de prachtige zinnen heen en weer bewegen en elke keer iets ontdekken wat er eerder nog niet was. 

    UitgeverHollands Diep
    Jaartal2021
    RecensentAnneMieke Vulkers
    Editie2022-1