Recensies

  • Het Drogsyndicaat

    Mischa Andriessen
    Het Drogsyndicaat

    Andriessen laat je zwemmen

    Hoe verder ik raak in Mischa Andriessens Het Drogsyndicaat, hoe meer me de gedachte bekruipt dat poëzie gaat over datgene waartegenover we machteloos staan. Dat is een ongemakkelijke gedachte. Wil ik dan niet dat de wereld verandert? Geloof ik dan niet in de kracht van poëzie? Jawel, maar niet in het idee dat ze de tijd kan keren. Of het tij. Zeker bij poëzie over klimaatverandering krijg ik vaak het idee dat de dichter mij wil waarschuwen en oproepen tot actie. Alsof ik niet allang weet wat er gaande is. Alsof ik met kleine acties in mijn kleine leven iets kan keren waarvoor met name multinationale bedrijven verantwoordelijk zijn, en alsof wat ik zou moeten voorkomen niet allang gebeurt. 

    Het Drogsyndicaat laat zien hoe het wél kan. Juist doordat Andriessen de ondergang als bekend en bijna onvermijdelijk veronderstelt, kan ze gelaagd worden en op allerlei manieren betekenisgevend. Daardoor zegt de bundel uiteindelijk iets over ons bestaan, hier, nu. Niet iets dat ik na kan zeggen in een tweetje, maar iets groots, waarin je raakt ondergedompeld, en dat je verandert. 

    Maar wacht, ik ga te snel. Dat komt door mijn enthousiasme. Want God, wat bewonder ik Het Drogsyndicaat. Wat hou ik ervan. Wat een dichter. 

    Het syndicaat in Het Drogsyndicaat is het verbond dat God sluit nadat hij het leven op Aarde nagenoeg vernietigd heeft met de Zondvloed. In de Bijbel belooft hij daarna dat nooit meer te zullen doen. De ‘drog’ uit de titel van Andriessens bundel is die uit ‘drogreden’: dat Bijbelse verbond is een afbrokkelend verbond. Wie de bundel leest in deze zomer vol overstromingen die nog maar het begin lijken van wat ons te wachten staat, weet dat dat klopt. Maar Het Drogsyndicaat gaat over het afbrokkelen van alle verbintenissen. Het is ook een bundel over afbrokkelende liefdes, afbrokkelende lijven, afbrokkelende toekomsten. De menselijke reactie daarop is: conservatie. Zoals Noach de dieren van de wereld wil behouden, wil hij ook Naäma, zijn vrouw, behouden, en zichzelf tegenover haar. Dat dat niet lukt, lezen we bijvoorbeeld in deze regels, waar Zondvloed en huwelijkse sleet samenkomen: 

    Waar zij naar haakte een reden tot uitzien een bekommernis van harte 
    Levenslang liefde als antwoord op blijvende zorg had hij haar dan toch niet 
    Wat zij zocht gegeven haar vals begrepen was hij haar alleen 
    Kwijtgeraakt precies daardoor toen het water zich door de zoldering drong


    Andriessen hint al op de eerste pagina waar hij naartoe wil, in het handige overzichtje van de personages in de bundel. Daarin is Naäma niet de vrouw van Noach, maar Noach de man van Naäma, Sem de man van Ila, enzovoorts. Dit doorbreken van de patriarchale gewoonte zegt eigenlijk alles. De patriarch is de veehouder, is de conservator, de ‘rentmeester’ in christendemocratische termen. Al die termen gaan over hoe je toekomst maakt, en plaatsen de mens (de man) aan het hoofd van die toekomst. Die macht over de tijd, over de natuur, over de ander, die zit in hoe we Noach lezen, en blijkt in deze tijd naar onze ondergang te leiden. Die is, stelt Andriessen denk ik in de bundel, onvruchtbaar, getuige bijvoorbeeld de vele gedichten waarin Ila zwanger blijkt van een steen. 

    Traag en zwaar groeide een steen in haar 
    Een pratende steeds pratende steen juist nu 
    Ze wist dat vanbinnen nooit meer leven kwam 
    In haar dromen dronk ze en helde voorover 
    Voelde dat ze viel maar de steen droeg haar 
    Op door te blijven gaan en niet stil te staan 
    Een kleine proef lachte de steen zonder mij 
    Komt iedereen er wel doorheen kijk nou eens 
    Wat je hebt voortgebracht je moet met hem mee 
    Waarom als ik vragen mag ben je dan zo zwaar 
    Zei zij denk na zei de steen weet wat je vraagt 


    Alsof Ila zwanger is van de dode steen die de Aarde in de toekomst wordt. Dat die overspoeld raakt met water in het verhaal, wordt nergens duidelijker voelbaar dan in de taal zelf, die – en dit is echt zeer knap – vloeibaar is in de zin dat het is alsof de woorden nog niet alle verbanden met elkaar zijn aangegaan die ze kunnen, nog een beetje naar elkaar toe moeten vloeien, letterlijk als druppels. Dat maakt het soms lastig lezen – Andriessen laat je letterlijk zwemmen! – maar het maakt ook dat de betekenis van ieder gedicht de lezer niet door de dichter wordt ingeprent, maar opdoemt, als vanzelf, als een geschenk waarop je moet wachten, en dat je moet ontvangen, maar dat je nooit bezit. Zoals je een kind nooit bezit, zoals je bijvoorbeeld een steen kunt bezitten. En zo is Het Drogsyndicaat vooral een aanzet tot een nieuw syndicaat, niet langs de lijnen van het mannelijke, bezittelijke, machtige, maar langs het vrouwelijke, machteloze, ja, die van het offer. 

    UitgeverQuerido
    Jaartal2021
    RecensentJoost Baars
    Editie2021-3