Recensies

  • 2050

    Peter Verhelst
    2050

    Een versie van het einde 

    Peter Verhelst is een van de meest productieve dichters en schrijvers van het Nederlands taalgebied. Aan zijn uitdijende bibliografie in haast alle genres is nu opnieuw een bundel toegevoegd. Met 2050 gaat Verhelst in veel opzichten verder op de weg die hij na zijn wedergeboorte als dichter, met Alaska (2003) en vooral Nieuwe sterrenbeelden (2008) is ingeslagen en die sindsdien tot een gestage stroom bundels heeft geleid, die alle veel lof oogstten. De gedichten uit de tweede periode zijn toegankelijk en verhalend en hebben, anders dan de Verhelst die zichzelf als dichter met Verhemelte (1996) in een subliem gebaar uitwiste, een minder hermetische en meer romantische inslag. Na deze implosie van betekenis is het verlangen naar liefde, eenwording en versmelting belangrijker geworden. 

    In 2050 wordt dat ‘verlangen naar ontgrenzende ervaringen’ verbonden met het opnieuw ontsluiten van de utopische verbeelding. De achterflap van dit fraai uitgegeven werk doet dat conceptueel: deze omsluit het boek, waardoor een zwarte box ontstaat waarin de toekomst zowel opgeborgen is alsook weer, en ditmaal anders, kan verschijnen. Tegelijkertijd kan zo – melancholisch – het verdwijnen van wat dierbaar is worden tegengegaan. 

    De openingssuite – met de titel ‘You will live forever’ – introduceert dit muzikale hoofdthema en bereidt de lezer voor op een reis die ‘traag en heet [zal zijn]’ en ecologische verwoesting voorspelt. Daarna volgt een reeks gedichten, zowel verhalende in strofen als prozagedichten, waarin Verhelst het leven na het einde verbeeldt. Dat had doorleefde, indringende poëzie op kunnen leveren, maar het resultaat is helaas een grote flop. De verbeelding van Verhelsts mythische apocalyps, een combinatie van nucleaire ramp, epidemie en ecologische crisis, weet geen moment te overtuigen. De beelden zijn sensationalistisch en daardoor vaak ronduit kitscherig:

    Alle lichamen met de armen beschermend voor het gezicht. 

    Vermalen 
    tussen twee over elkaar schuivende tektonische platen.


    Een zekere esthetisering van destructie kan deze reeks evenmin ontzegd worden: de fall-out brengt ‘paarlemoeren zonsondergangen’. Verhelst beschikt weliswaar over een zekere gevoeligheid voor de idiomen van deze tijd, maar wat hij ermee doet blijft erg vlak:

    Schimmel 
    als het nieuwe spreken, 
    het nieuwe omhelzen. 

    Verhelst grossiert in clichématige beelden (‘draden bungelen uit dingen’) en wollige taal. De bundel had wel wat zelfkritiek kunnen gebruiken, want in plaats van nieuwe beelden, betekenissen en mythologieën te krijgen moeten we het doen met moralistische aforismen als deze:

    We hebben veel te veel te hard te snel 
    en daardoor veel te snel te hard te veel 


    Je zou denken dat bovenstaande diagnose een nieuwe utopische verbeelding kan gebruiken, maar wat opvalt aan deze bundel is precies het tekort aan verbeeldingskracht. Het ‘narratief [zit] opgeslagen in kluizen’, zo besluit deze reeks. En blijft daar voorlopig. Verhelst doet wel een poging om de utopische verbeelding van haar verlamming te ontdoen, maar dan duikt al snel het spook van de totalitaire verleiding op. Het utopische verlangen moet zwak blijven om niet in geweld te ontaarden. Maar dat het leven in de gemeenschap nu niet noodzakelijk onderdrukkend hoeft te zijn, maar ook van grote schoonheid kan zijn, daarvoor ontberen we nu net de broodnodige verbeelding. 

    De vraag is waarom dat zo is. Het antwoord moet waarschijnlijk worden gezocht in de ontbinding van de grote moderne ideologieën. Waar de vroege Verhelst het einde hiervan als een probleem ervaart – indien niet politiek, dan in elk geval filosofisch of existentieel – dan is er bij de latere geen gevoel van urgentie meer over. Wat Jeroen Mettes ‘de uitdoving van elk sociaal en politiek verlangen’ noemde en met een dosis van het reële aan wilde wakkeren is hier eerder het uitzingen van het onvermijdelijke geworden, waarbij alleen de liefde ons nog kan redden, geen collectief verhaal. 

    Kirill Medvedev heeft de cultuur van het postmodernisme eens vergeleken met een grote deken, waarop je allerlei elementen kwijt kunt, van hoog tot laag en van sentimenteel tot oprecht. Maar lang niet al die elementen zijn nieuw of levend; ze doen zich misschien als zodanig voor, maar soms blijken ze eerder het afval te zijn, dat moet worden uitgestoten om iets nieuws te creëren. Van dat besef is hier te weinig te bespeuren: 

    Misschien is de laatste mens al geboren, 
    maar mogen wij nog gelukkig, 
    mogen al onze kerstdagen nog 
    verblindend wit zijn. 

    Bij Verhelst mag alles, sentimenteel of cynisch, naast elkaar bestaan. Wie deze bundel leest, ontkomt dan ook niet aan de sensatie dat hier een van de postmodernisten der laatste dagen spreekt. Maar deze postmoderne utopie, niet-hiërarchisch, lichamelijk, horizontaal, erotisch, die de vervreemding van de posthistorie wist te verklanken, lijkt nu het contact met de geschiedenis te zijn verloren. Er is niets meer aan te doen, dus hoeft er ook niets gedaan te worden. We kunnen achterover leunen en opgaan in de beelden die aan ons voorbijtrekken. Dit is een versie van het einde. Laat er ook een ander zijn.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2021
    RecensentFrank Keizer
    Editie2021-3