Recensies

  • Op de weg van Appia

    Michaël Vandebril
    Op de weg van Appia

    De hobbelige weg naar Appia 

    ‘ga met mij reisgezel/ over deze uitgesleten keien/ van roma tot brundisium/ ons wordt geen poëzie gevraagd/ het is de oude weg die verzen schrijft/ kom stenen spreek me aan/ zing van herders hoeren en soldaten/ wie daar prevelt onze naam (..)’ zo opent de Vlaamse Michaël Vandebril (1972) zijn epische reisgedicht Op de weg van Appia, een capriccio reisgedicht van Rome naar Brindisi; een ode aan deze weg. 

    De Via Appia Antica, vernoemd naar Appius Claudius Caecus die in 312 v. Chr. opdracht gaf tot de aanleg, is tweeduizend jaar oud en de belangrijkste snelweg van het Romeinse Rijk. Van de oorspronkelijke weg zijn slechts enkele delen bewaard gebleven. Deze 650 kilometer lange weg voert langs ruïnes, heuvels, kloven, rivieren, af en toe de zee en verbindt Rome met Brindisi in de hak van de laars. 

    Vandebril schreef zijn derde bundel in navolging van Horatius, die in 37 v. Chr. over zijn reis van Rome naar Brindisi langs de Via Appia, een gedicht van 104 regels schreef. Vandebrils gedicht bedraagt echter maar liefst 455 dichtregels – ‘evenveel regels als er Romeinse mijlen liggen tussen Rome en Brindisi’ - en wordt begeleid door tekeningen van Bart Pluym. De bundel is het resultaat van de reis die de twee vrienden in 2018 en 2020 maakten van Brindisi naar Rome en terug. Een heikele onderneming, zo’n verhalend reisgedicht. De vrienden hebben het ongetwijfeld reuze naar hun zin gehad. Maar is de poëtische verslaglegging hiervan ook inhoudelijk onderhoudend voor de lezer? Waarom is het (nu) relevant? Wat wil Vandebril overbrengen? 

    Omdat zo’n weg alleen niet richtinggevend genoeg hoeft te zijn heeft Vandebril getracht zo dicht mogelijk bij Horatius te blijven. Hij neemt ‘de lichte toon, met inbegrip van plaatsaanduidingen en anekdotische voorvallen’ van deze vijfde satire van Horatius over. Vandebrils gedicht is opvallend genoeg geen satire, maar een combinatie van reisverslag, landschapsbeschrijving, geschiedenis en fantasie. Die laatste twee worden met elkaar verenigd, hoewel je je bij de verbeeldingskracht van de dichter niet al te ingewikkelde zaken voor moet stellen. Bij Monti Aurunci: ‘de klim is uitputtend/ maar een fluitje van een cent/ in het zweet des aanschijns/ van de wegenbouwers/ die deze lijn/ uit de aarde stampten.’ 

    Horatius schreef zijn Satires in de dactylische hexameter. Vandebril heeft losjes getracht die dichtvorm op het oog te evenaren – de Nederlandse taal leent zich er niet goed voor. Hij maakt veel gebruik van alliteratie, binnenrijm en soms eindrijm. De vorm is ‘hobbelig’ zoals de originele weg, met onregelmatig rijm en zinnen die de boel net even ophouden. De dichter spreekt van een ‘capriccio reisgedicht’, dat dekt de lading vele malen beter. ‘Capriccio’ is een muziekstuk dat vrij van vorm is en grillig van karakter, maar verwijst tevens naar een thema in de schilderkunst, waarom met name Vlaamse schilders in de 17e eeuw, die Italië schilderden, bekend stonden. 

    Met veel plezier ‘schildert’ Vandebril het landschap voor de lezer met mooie en metaforische pennenstreken: ‘we (..) volgen de levenslijn/ op de palm van het land’. De rechtstreekse verslaglegging vanuit het ‘ik’ of ‘we’ doet regelmatig wat onbeholpen aan: ‘we volgen een weggetje/ plukken rozemarijn (..) bij het ingestorte dek/ een mijlpaal aan mijn voet/ scherven cement en puin/ oef! we zitten goed’. 

    De Engelse aristocraat Sir Richard Colt Hoare liet in de 18e eeuw zijn reis door Italië (over de Via Appia) vastleggen in 226 aquarellen door de schilder Carlo Abruzzi. In navolging hiervan illustreerde Pluym de gedichten met mooie landschapsimpressies in aquarel, houtskool en Chinese inkt. Alles is kortom doordacht, geïnspireerd op, een ode aan, met verwijzingen naar. Maar hoewel vaardig uitgevoerd en sympathiek, de urgentie van zo’n project ontbreekt: waarom wil ik dit nu lezen? Het was bijvoorbeeld interessant geweest als er een kritische noot of reflectie of satire (jawel!) was geweest, behalve de registratie van verval en mooie vergezichten. Poëzie hoeft natuurlijk niet ‘urgent’ te zijn, maar l’art pour l’art voelt, zeker in deze tijd, te gratuite. De bundel is daarmee eerder een particuliere aangelegenheid, vooral leuk voor de reiziger die de weg ook eens af wil leggen. wers/ die deze lijn/ uit de aarde stampten.’ 

    UitgeverVrijdag
    Jaartal2021
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2021-2