Recensies

  • In mijn mand

    Lieke Marsman
    In mijn mand

    Voorbij het sublieme 

    In de eerste gedichten van de nieuwe bundel In mijn mand van kersverse Dichter des Vaderlands Lieke Marsman worden de botten direct bloot gelegd: hoe is het als je weet dat je mogelijk niet lang meer te leven hebt? Het gaat niet om een vingeroefening, maar reële, tastbare doodsangst. Marsman, sinds 2017 in behandeling voor kraakbeenkanker, schreef er eerder over in de sterk maatschappijkritische poëzie- en essaybundel De volgende scan duurt vijf minuten (2018). 

    De eerste afdeling (van drie) Dit nieuwe leven opent met de cyclus ‘Universele esthetiek’, op herkenbare toon: ‘Wat is universele esthetiek eigenlijk méér/ dan de meest succesvolle marketingcampagne?’ Maar meer dan maatschappijkritiek lijkt dit een gevoel van desillusie te verwoorden, van verlies van geloof in menselijke constructen: ‘Nee, dan het sublieme. Dat magisch mooie/ dat steeds tussen je vingers vandaan glipt/ en waar een beetje geesteswetenschapper/ een hele carrière op kan bouwen.’ Er gaat een bang vermoeden onder schuil, want ‘Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat?’ Onmiddellijk wordt een rijkgeschakeerd existentieel palet ingezet dat in de rest van de bundel terugkomt: woede, acceptatie, paniek, verzet, verdriet, zoeken naar houvast en betekenis, en vooral een oproep tot leven, al is het met de moed der wanhoop: ‘Dans jezelf nog eens naar dat licht./ Sla desnoods een kruis waar het zeer doet./ Vaar dit schip nog eens op de klippen.’ Maar wees gewaarschuwd: ‘Ik herken mij niet in de methodes van de cultuuranalyse/ noch in de uiteenzettingen van critici/ die mijn gedichten doorplozen als boedelbeschrijving.’ Deze regels uit het eerste gedicht roepen ons –lezers, critici, recensenten – tot de orde. Nog voor de bundel goed en wel begonnen is, herovert Marsman haar taal en trekt die uit de vingers van invasieve critici die als inhalige ooms de erfenis komen verdelen. Het gebied is afgebakend. 

    In veel opzichten lijkt Marsman tot een kern te komen. Ze is expliciet en noemt man en paard. De toon is onopgesmukt en toegankelijk, soms met een licht bijtende (zelf)spot, die grenst aan cynisme, zoals in ‘Het gekrijs van meeuwen’: ‘Zit dat wijf nou te bidden?/ zingen ze/ Opnieuw een snikhete dag voor de deur/ zingen ze/ Laat die patatjes maar komen!’ De ongekunstelde parlando-stijl maakt dat je wilt lezen, wilt luisteren en gelooft wat ze te zeggen heeft. Het is deze niets ontziende houding die ervoor zorgt dat de bundel nergens beladen of topzwaar wordt, maar boven het persoonlijke uitstijgt. Dat betekent niet dat deze poëzie niet raakt, integendeel – er staan gedichten in deze bundel waarbij het me nog steeds koud over de rug loopt Uit de gedichten die in opdracht zijn geschreven (‘Verlate kamervragen’, ‘Spelen’, ‘Verzet’ en ‘Tijd en Expertise’), te vinden in de middelste afdeling lichamen/kadavers, spreekt het sterkst het maatschappelijke engagement dat zo eigen is aan Marsman, en waar ze zich ook als Dichter des Vaderlands door laat drijven als ‘de stem van het dorre hout’, zoals gezegd in een interview met NRC. 

    Opvallend, maar misschien niet verrassend, is dat er veel ruimte voor reflectie is. Bijvoorbeeld in het prachtige ‘Koningen, kuikens’ waarin wordt gekeken naar hoe het idee over wat belangrijk, essentieel is, veranderd is door de ziekte. Toch is dit geen berustend en contemplatief terugkijken. In mijn mand is geen nog-een-laatste-keer-dan bundel van een dichter aan het eind van een lange carrière, ook al is dat wel waarnaar verlangd wordt: ‘ik sluit mijn ogen/ en stel me de dag voor waarop ik 65 word/ en alleen nog maar ongeëngageerde natuurpoëzie schrijf’. In de laatste afdeling Barmhartig vennetje komt het daadwerkelijk tot natuurpoëzie, zij het met de intelligente gelaagdheid die in de hele bundel terug te vinden is: ‘er is een onontgonnen wereld van natuur/ waarin ik nog geen damhert van een ree onderscheid’. 

    In mijn mand is een krachtige bundel die erin slaagt het vrijwel onbenoembare te verwoorden. Het is ook poëzie die golft, bonkt, gutst van de levensdrang. Er is het met tegenzin geaccepteerde besef dat het leven, ook ooit zonder jou, onverbiddelijk doorgaat - ‘Zelfs jij zal opnieuw een geliefde in een wijnbar zijn/ en opnieuw gelukkig zijn’ – maar vooral is er een vitaal en fundamenteel verzet tegen dat besef, tegen doodgaan. 

    Het titelgedicht, het laatste en een van de sterkste, is de culminatie van de bundel. In de laatste strofes wordt tot vier keer toe de vraag gesteld ‘Is het mijn sterfdag?’, maar: ‘Vergeet klokken die luiden/ De lucht is stil’. De dreiging van Auden’s Funeral Blues – ‘Stop all the clocks’ – klinkt door. 

    Zoeken naar betekenis, genade of het sublieme blijkt niet het antwoord. Het belangrijkste in het leven is, zoals al eerder in het gedicht ‘Verlate Kamervragen’ staat, in leven blijven. Er zijn om het vanille van een oud boek te ruiken, koud bier te proeven, je hond te horen drinken. Marsman schreef met In mijn mand geen zwanenzang, maar een manifest. wanneer ik ze lees. 

    UitgeverPluim
    Jaartal2021
    RecensentAnne ter Beek
    Editie2021-2