Recensies

  • De sprong van de vis

    Juliën Holtrigter
    De sprong van de vis

    Golf, op parallelle wijze 

    ‘De claustrofobische Juliën Holtrigter zit vaak op het dak van zijn huis’, kopt de tekst achterop De sprong van de vis, waarvan de laatste afdeling ‘Dakruiters’ heet en waarin weinig verrassend het woord ‘ik’ bijzonder frequent voorkomt. 

    Zou in navolging van de autobiografische roman, ook autobiografische poëzie met groeiend enthousiasme omarmd worden? Denk aan Marjoleine de Vos’ hartenkreten in Hoe verschillig, Lieke Marsmans essayistische In mijn mand; Vrouwkje Tuinmans bundel Lijfrente, over het eerste jaar na het overlijden van haar partner, dichter F. Starik, waarmee Tuinman de Grote Poëzieprijs won? 

    Waarschijnlijker is niet zozeer de poëzie autobiografischer geworden, maar de Fensiaanse afkeer ervan wat gesleten. Wie ook maar een middelbare school heeft afgerond, weet immers dat de Nederlandse poëzie met een autobiografisch tintje is hagunnan. Poëzie, de vorm waarmee een dichter zich uiteenzet – of dat nu dicht op de huid is, zoals in Koos van Zomerens Ik heet welkom of zoals in Gerrit Kouwenaars Totaal witte kamer, neigt naar abstractie. Anne Carson schrijft in The Economy of the Unlost dat mede door zijn doorgaans beperkte oppervlak, de epitaaf een eeuwenoud dichterlijk genre is waarin een overledene zijn of haar (tekstuele) orde oplegt aan de toevallige lezer. Het verbaast dan ook niet dat onze vroegste poëzie eindigt met een regel zelfbeklag als: ‘Hebben alle vogels hun vlerken verloren, behalve ik. Ook jij… wat moet ik nu?’ – uiteraard in Nieuwspraak. 

    ‘Ja, zo begon het’, ‘[er] is geen weg meer terug’, schrijft Holtrigter in het gedicht ‘Overdaad’, dat overigens het ontstaan van de kosmos betreft en het bovenstaande in het bijzonder bepaald niet; ís de bron wel zo relevant, gaat het er niet om hoe poëzie de waarheid liegt? 

    Regelmatig is sprake van een ‘ik’ in De sprong van de vis, maar ook al zijn de gedichten persoonlijk, ze zijn niet particulier. Als bijvoorbeeld in ‘De kus’ een hakje van zijn moeder op een precair moment tijdens een voorstelling breekt, ‘wankelt [ze] en valt uit haar rol.// Mijn vader en ik zitten vooraan en zien/ hoe zij schmiert’. Wie herinnert zich niet een moment dat onze ouders uit hun rol vielen en zo verschrikkelijk menselijk bleken? 

    Op de tweede afdeling ‘Vreemde verwanten’ na, vol jeugdherinneringen waaruit het genoemde toneel-gedicht komt, lijkt de bundel een queeste. In de eerste afdeling sombert de ik-persoon in de (zijn?) herfst door de duinen het strand op naar een havenkroeg. Na de terugblik in de tweede, brengt de derde afdeling levensbeschouwelijk gewicht in de bundel wanneer de ik met zijn filosofisch angehauchte vriend Chaim optrekt, een bekende overigens uit eerder werk. Deze derde afdeling lijkt een katalysator voor persoonlijke ontwikkeling in de laatste. Daarin zit de ‘ik’ weliswaar veel op het dak, toch weet hij uiteindelijk zichzelf te omarmen. Als hij in het afsluitende gedicht wordt geschilderd door Modigliani, stelt de kunstenaar dat het uiteindelijk om de details draait:

    de tanden van het raderwerk moeten scherp zijn 
    en sterk, nog sterker, 
    zonder elkaar te vermalen 

    Als de meester zijn ezel omdraait, ziet de geportretteerde een wonder: ‘ik zag dat ik af was’. Die concluderende, paradoxale regel zet De sprong van de vis in een spiritueel licht. Hoewel zo’n duiding mij doorgaans wat zijig in de prefrontale voorkwab ligt, is zij toepasselijk doordat naast een existentiële grondhouding ook de doorleving ervan uit zijn poëtica is af te leiden. In die poëtica resoneert de ziel van J.H. Leopold. Leopold wilde nog wel eens de scheiding tussen de taal en de door hem gethematiseerde ‘doorhuiverde stilte’ markeren, door gedichten met mist of hagen te beginnen en eindigen. Met name Holtrigters uit distichons opgebouwde gedichten lijken daarop, al vormen ze eerder een golf waarin het einde op het begin reageert of daarmee samenvalt, net als, niet zelden, ook de tweede en voorlaatste strofen op parallelle wijze, enzovoorts. Anders dan bij Leopold – ook een ziel moet met zijn tijd mee, tenslotte – blijft de aandacht bij de ervaring van het kenbare. 

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2021
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2021-2