Recensies

  • Vesper

    Anne Broeksma
    Vesper

    Soms is onzichtbaar beter 

    Vespers zijn het avondgebed, afgeleid van het Latijnse woord vespera, dat avond betekent. Vesper van Anne Broeksma begint met zes Polytheïstische gezangen, waarin zes verschillende goden genoemd worden. Ze geven advies, geven houvast en bieden de dichter de mogelijkheid beter naar de wereld om haar heen te kijken. Ze leiden haar naar de natuur en de lichamelijkheid die door de rest van de bundel verweven is. De bundel bestrijkt het vallen van de avond, van de vespers tot aan het laatste deel dat ‘Completen’ heet, het laatste gebed van de dag. 

    In deze schemering beweegt Vesper voortdurend heen en weer tussen twee kampen: natuur en mensheid. In ‘Onder Breda’ schrijft de dichter: ‘natuur is geen plek voor ontspanning/ maar van koken met benzineflessen’. Het gedicht verzet zich tegen deze opvatting en langs de randen van een recreatiegebied observeert de dichter de mens van veraf. ‘nu ik de kant van de bomen heb gekozen is de waterplas gevaar geworden/ een plek van recreatie die ik niet kan duiden/ omdat ik geen recreant meer ben’. Ze kijkt en wordt bekeken, zoals bioloog en subject elkaar met een bevreemde blik aan kunnen staren. Steeds weer verlegt deze bundel de grens tussen mens en dier, totdat de belevingswerelden van beide niet meer te onderscheiden zijn. 

    Versper stelt de plek die natuur inneemt in onze samenleving aan de kaak, of beter gezegd: de plek die onze samenleving inneemt in de natuur. Met een heldere, zachte vertelstem meandert Broeksma door tuinen, valleien, woestenijen en andere biotopen. Ze leidt de lezer langs de levens van talloze dieren en kruipt in het perspectief van walrussen, knaagdieren en lavendelmotten. De betovering door wat de natuur te bieden heeft is voelbaar, maar tegelijkertijd sluimert ook de zorg over hoe natuur en mensheid nog samen kunnen blijven gaan. 

    Broeksma reflecteert op hoe de mens de natuur in kaart brengt en vraagt zich af of deze wel recht doet aan hoe groots en ongrijpbaar de natuur is. ‘en de schimmels, ach, de schimmels/ hoe kon Carl de schimmels als rijk/ nu vergeten’ schrijft ze in ‘Levend kruidboek’, een gedicht over Carl Linnaeus, de grondlegger van de binomiale nomenclatuur voor levende wezens. 

    In ‘Lied voor een lavendelmot’ schrijft ze over iemand die in twintig jaar en achttien delen de motten van Borneo heeft beschreven, maar ‘alleen de macromotten heeft besproken/ ik denk aan alles wat er ’s avonds door de velden vliegt/ en kleiner is dan twee centimeter‘. De mens brengt haar eigen structuur aan waardoor ze soms grote delen uit het oog verliest. Soms schrikt ze de natuur zelf zelfs af: 

    hoor het rinkelen van sleutels in de verte 
    en wrijf over mijn getemde lijf 
    waarin taal zich strekt als een landingsbaan 
    een ophangrek om de wereld aan te drogen 
    en ik noem de mot, ik noem haar naam 
    en ze vliegt weg 

    Soms is het zelfs beter als de dieren niet gezien worden. Het motto van de bundel luidt: ‘Have you seen the snow leopard?’ ‘No! Isn’t that wonderful?’, een citaat van natuurliefhebbende schrijver Peter Matthiessen. Dit verlangen naar − of zelfs genieten van − de veilige onzichtbaarheid keert steeds weer terug. In ‘Completen’ schrijft de dichter:
     

    laat ze slapen 
    zij die onzichtbaar langs de randen 
    van de wereld sluipen: een omheind terrein 
    vol mensen en runderen 
    de wilde dieren wentelen zich ver 
    buiten de hekken 
    het onzichtbare kleeft hen aan 
    nooit krijgen ze er genoeg van 
    onzichtbaar te zijn 

    Samen vormen de gedichten een timide lofzang op de natuur, die tegelijk onvermijdelijk vragen oproept over de houdbaarheid van diezelfde natuur als de mensheid er op de huidige manier mee om blijft gaan. Wat blijft er over voor de dieren als er geen ruimte voor ze over wordt gelaten, bijvoorbeeld in de stad? Een prachtig maar even schrijnend voorbeeld is het gedicht ‘Rafelrand’: 

    hier is het kriebelig midden 
    waaromheen deze wijk is gebouwd 
    een grof brokje niets dat men vergeten is te verstoren 
    er groeien negenendertig soorten bloemen 

    De strook die vergeten is door de mens zoemt, groeit en bloeit, maar alleen bij gratie van het vergeten van de mens, en voor hoe lang? Leven triomfeert ‘daar waar de stad een restje/ tussen haar tanden heeft laten zitten’, maar er is altijd die dreiging van de tandenstoker – de belofte van de mondhygiënist om alles weer schoon te spuiten. 

    De gedichten scheren langs dezelfde thema’s en soms kan de lezer wat verdwalen in de zoektocht van het ene naar het andere gedicht. Met pareltjes als ‘Kleinwild’, ‘Lied voor een parelmot’ en het afsluitende ‘Completen’ is de lezer dat echter al snel vergeten. Als er iets is dat Vesper laat zien, dan is het wel dat die zoektocht naar woorden voor de natuur niet altijd rechtlijnig is, maar vaker kronkelt, kraait en de dichter steeds weer dwingt om te keren en opnieuw te kijken, te blijven kijken. 

    en daarna blijf je lopen, zigzaggend 
    als een geit zonder hoeven 
    ook wanneer je er al bent
    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2021
    RecensentNora van Arkel
    Editie2021-2