Recensies

  • Demerararamen

    Antoine de Kom
    Demerararamen

    Druppels helder bloed

    Shutters heten de lamellenramen waarmee Surinaamse huizen zijn uitgerust om er de immer welkome windstromen binnenshuis mee te regelen. In oudere huizen vind je klapramen van hout: Demerararamen. Demerararamen is de bevreemdende titel van Antoine de Koms jongste; een bijna-palindroom, half Engels half Nederlands, met dat rare ‘rarara’ in het midden. Het is tegelijkertijd een complexe, vertakte geschiedenisles in één woord. Demerara is het gebied dat Nederland halverwege de achttiende eeuw als planterskolonie bezette en vervolgens ruim een halve eeuw als strijdtoneel diende voor Nederlandse, Britse en Franse kolonisten, voordat het uiteindelijk onderdeel werd van de voormalige Britse kolonie Guyana. Menig tot slaaf gemaakte zwoegde en stierf er in de verzengende hitte van de tropenzon op het land. Verschillende grote slavenopstanden werden er gewelddadig neergeslagen. Het Nederlandse bewind over Demerara werd gevoerd vanuit Fort Zeelandia, ruim twee eeuwen later tevens plaats delict van de executie van 15 criticasters van de militaire dictatuur van Desi Bouterse in december 1982. 

    In de titel huist dus een lange, bloedige en actuele geschiedenis van onderdrukking en politieke misdaad. Die heeft zich diep geworteld in de poëzie van Antoine, kleinzoon van de antikoloniale held Anton de Kom. Hij tuurt er met verkoelde distantie naar, quasi verscholen achter de houten lamellen uit de titel. De Kom koestert distantie, want, lezen we op de eerste pagina, ‘ontdaan van elke emotie kan poëzie zichzelf aan’. 

    Demerararamen bevat negen reeksen gedichten. In ‘say intentions’ plaatst De Kom de decembermoorden in een panorama van internationaal politiek geweld, onderdrukking, oorlog en misdaad, vaak slechts verwoord in een naam. De stijl is fragmentarisch, als losse aantekeningen bij een verontrustende online surfsessie, waar het algoritme van Twitter of Youtube je van het ene onrecht naar het andere laat klikken. Teheran en Pyongyang staan naast Hormuz, Idlib, Koerdistan, Libië. Er worden granaten voor sportscholen gelegd. Daarnaast citaten uit de veroordeling van Bouterse voor zijn rol in de decembermoorden, passages vol gruwelijkheden over de laatste uren van de slachtoffers. Hierdoorheen trekt De Kom een kruis, met op de X-as de politieke ontkenning, ‘waar men het in het comité voor razend gevaar niet/ en nooit en nimmer over had’ en op de Y-as de hopeloze zoektocht naar een uitweg: ‘tijd voor een ander universum op naar de plastisch chirurg’. De aarde is intrinsiek uitsluitend en masochistisch, ‘een streng verboden bol voor stervende verstekelingen/ en het zuiden gist het noorden rafelt en bijt met zachte tanden bloed/ op de lippen en kust zichzelve.’ 

    ‘say intentions’ is springeriger dan zijn eerdere werk, waarin De Kom het kwaad ook niet schuwde, maar deze vaak goot in anekdotische, strak in het midden uitgelijnde dichtregels. Ook ‘berichten van de stichting poolvos’ breekt hiermee. De serie is opgedragen aan Simone Camilli, een videojournalist die omkwam tijdens het rapporteren in de Gazastrook. Ook hier aanschouwt de ik mompelend de wereld zoals deze tot hem komt in de media. Levens en gegevens vermengen zich tot enigszins dreigende schoonheid: ‘het ongeschreven boek droom van war- en landlord onvindbaar verstopt/ tussen klavertjevier en sigaren ergens in een ammo box op het hoofd van een/ statige paramaccaanse’. Een met de mantel der pauselijke liefde fascisme bedekkende Johannes Paulus II, ooit geportretteerd door Camilli, treedt er gelijkwaardig op naast rivaliserende vogels. Tussen de regels staan dunne pentekeningen die lijken op landkaarten, maar vaag ook andere gedaantes aannemen. Rivierbeddingen vormen zich voorzichtig tot silhouetten. De gedichten maken expliciet geen aanspraak op ‘enige vorm van waarheid of begrip’, blijkt uit de slotregels, die er als disclaimer aan toe zijn gevoegd. 

    De dichter is geen journalist, maar journalistiek sijpelt wel onvermijdelijk deze poëzie binnen. De Kom ziet het met lede ogen aan. Ergens in de bundel dagdromen geesten zich een bordeel uit verlangen naar het vlees dat ze ontberen: ‘de geesten zijn triest net/ zoals hun gedroomde bordeelgangers/ die met diezelfde/ lichte droefheid dronken/ en met openzwaaiende autodeuren/ slingeren/ over de weg langs de rivier’. Zoals de geesten naar vlees hunkerend ronddolen, dwaalt De Kom virtueel rond op zoek naar schoonheid. Deze bundel is zo ook een pijnlijke confrontatie van lyriek met een zich almaar lelijker opdringende wereld. Onder de drie gedichten in ‘newsflash’ staat een plaats-, datum- en tijdsaanduiding, als bij bijdragen op sociale media. ‘Ik denk dat ik mezelf achterhaald heb.’ verzucht de dichter na het volgen van de algemene politieke beschouwingen. En vervolgens: ‘onze gedeelde/ werkelijkheid staat op virtueel./ dus niet de poëzie?/ die wordt een drieluik waarin de druk van deze actualiteit/ onweerstaanbaar blijkt./ zo zie je met eigen ogen hoe/ gedicht na gedicht naar de bliksem/ ging.’ Maar daarmee doet de dichter zich tekort. Demerararamen zoekt de grenzen van de lyriek op, zonder haar maar een seconde uit het oog te verliezen. Daar is het oog van De Kom ook helemaal niet toe in staat, blijkt nog maar eens in de nasleep van een straaljagerdemonstratie. In prachtig Surinaams-Nederlands, dat een werkwoord kent voor motregen, lezen we:

    en uit de wolkeloze lucht 
    begint het fijne druppels helder bloed
    te motten
    UitgeverQuerido
    Jaartal2021
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2021-2