Recensies

  • Het woedeboek

    Roelof ten Napel
    Het woedeboek

    De rug van wie zich wegdraait

    Op het omslag van Het woedeboek, waarmee Roelof ten Napel (1993) als dichter debuteert, prijkt een vervaarlijke wolfskop, en het eerste gedicht heet meteen al ‘wolf’. Gaan we een razend boek lezen? Is de dichter buiten zichzelf van woede? Daarvan blijkt geen sprake te zijn. Wat Ten Napel schrijft, klinkt vertwijfeld en onthutst, lijkt vervuld van verdriet en verlangen, is misschien op een enkel moment ook wel boos, maar een ‘woedeboek’ is het beslist niet. De lading verdient een andere vlag.

    De bundel valt uiteen in twee delen, waarvan ‘Het woedeboek’ veruit het langst is. Titels van gedichten komen steeds terug: middenin staat een reeks ‘psalmen’, twee gedichten heten ‘gebed’, de meeste andere heten ‘wolf’, ‘vuur’, ‘machine’ of ‘magnolia’. Alleen aan het einde van de afdeling verschijnen er vier nieuwe begrippen: ‘woede’, ‘jongen’, ‘hooglied’ en ‘nacht’. De korte tweede afdeling heet ‘Jongen’.

    Waar ‘Het woedeboek’ op vaak bittere toon afstand neemt van een kerk die niet bereid was de homoseksualiteit van de protagonist te accepteren, transformeert de mislukte liefdesrelatie met God via het ‘hooglied’ tot een uiterst kwetsbare ontmoeting met een mooie jongen.

    Op de achterflap zegt Joost Baars dat Ten Napel in deze bundel van zijn geloof valt, maar dat is niet wat er gebeurt. Het woedeboek is een door en door religieus boek, dat subtiel laat zien hoezeer praten met God en erotiek in elkaars verlengde liggen. En omdat het bij een innerlijk gesprek vaak niet duidelijk is wie zich tot wie richt, heeft de dichter de persoonlijk voornaamwoorden ‘ik’, ‘jij’ en ‘hij’ op zo’n manier ingezet dat het soms ongewis blijft naar wie ze verwijzen; dat wisselt zelfs binnen één en hetzelfde gedicht. Het roept de vraag op in hoeverre niet alleen God, maar ook de geliefde een projectie of een extensie van de spreker is. In veel gevallen spreekt de dichter ook zichzelf, of zijn vroegere zelf, toe. Misschien is dat de kern van het boek: we lezen de woorden van iemand die wanhopig contact zoekt: ‘wat is er triester dan de rug van wie zich wegdraait?’

    De wolf vormt het spiegelbeeld van de Goede Herder. In het laatste gedicht waarin het dier voorkomt, is het dood, wat niet betekent dat men er niet mee in gesprek kan blijven: ‘het is lang geleden – je vacht/ al opgenomen door de grond, je stof al/ ontdaan’, maar ‘ik denk nog steeds aan je, herhaal je’. Het contact is verbroken, maar ‘hoe minder je raakt// hoe zwaarder je blik/ mijn oogleden maakt’. Na al die somberheid, al die verwijzingen naar troosteloze Bijbelverhalen, ervaar je de verschijning van de geliefde tegen het einde van de bundel als een opluchting. In eerste instantie zou die jongen nog Jezus kunnen zijn, maar het ‘hooglied’ zindert van fysieke hartstocht:

    mijn vriend is geblakerd als de bruggen van praag,

    ik wil zijn barokke lichaam met mijn vingers verweren
    en hem openkrabben als een oude wond


    In de slotreeks wordt ook van de jongen afscheid genomen, maar vreemd genoeg is het daar, in al zijn tragiek, iets moois. De liefde eindigt met een kus, ‘omdat het dan eindigt/ met het kleinste verschil/ dat je tussen lippen denken kunt’.

    De bundel is slordig geredigeerd. Er staan spelfouten in, het Duits van Georg Christoph Lichtenberg wordt incorrect vertaald, en in een van de wolf-gedichten is sprake van ‘kasloze’ ogen, waar vermoedelijk lege oogkassen bedoeld zijn. De aanbeveling van Ester Naomi Perquin op het omslag is nietszeggend, die van Joost Baars stuurt de lectuur in één richting, en de titel lijkt me ongelukkig gekozen. Ik gun Ten Napel een betere uitgever.

    UitgeverHollands Diep
    Jaartal2018
    RecensentPiet Gerbrandy
    Editie2019-1