Recensies

  • Ruimtedagen

    Martijn den Ouden
    Ruimtedagen

    De Vrouw, het Kind en de Draak 

    Deze vierde bundel van Den Ouden opent met een motto uit de Bijbel: Openbaringen van Johannes 12:1, ‘En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw; bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’ 

    Dit motto loopt als een rode draad door de bundel. Uit de eerste gedichten blijkt dat de Apocalyps heeft plaatsgevonden, de ruimte moet opnieuw gedefinieerd worden en de regels moeten worden vastgesteld. Alle materie van de schepping moet worden verdeeld in het het heelal, dat herschapen wordt door ‘de lezer’ en door Marna, die heel goed de vrouw uit het motto zou kunnen zijn. 

    In tien scheppingsdagen en tien dialogen tussen de lezer en Marna wordt een kosmogonie weergegeven waarin Den Ouden het verhaal van Genesis volgt: er komen rivieren, dieren en dan met name het veulen, dat symbool staat voor alles wat kwetsbaar en liefelijk is en waarvan in eerdere bundels van Den Ouden ook al sprake was. En net als ze willen rusten omdat ze zien dat alles goed is, worden de vastgestelde regels overtreden en breekt anarchie uit onder de mensen die inmiddels ook de ruimte hebben betreden. Zij hebben zich in twee groepen opgesplitst: die met grote en die met kleine oren. Deze nieuwe mensheid voert al snel oorlog.

    Marna heeft ondertussen een kind gekregen dat ze David noemt. Zij vraagt de lezer om een oplossing te zoeken voor de oorlog die de mensheid zal vernietigen. De lezer zegt: ‘er wordt aan een oplossing gewerkt door ene Adolf, een nerveus / mannetje met grote oren’. Als dan verderop nog verteld wordt dat deze Adolf in het bezit is van ‘een strakke scheiding en een smal snorretje’, dan zal het geen verwondering wekken dat David met Adolf meegaat en dat ook deze nieuwe wereld gedoemd is te vergaan. 

    (...) de inktprins sterft in het slijk van de zee 

    duivelse meeuwen lachen bloed 
    op de kop van de nachtegaal 
    lachen bloed in de vacht van het vossenjong 
    dat wolkjes stuifmeel met kracht naar de nacht blaft 

    en de zachte haren in je nek 
    de veren 
    de pek 
    hoesten in de rok van het heelal (...)


    Den Ouden gaat te werk zoals de lezer: met onverschilligheid voor gevestigde opvattingen – over in dit geval poëzie – schopt hij vrolijk om zich heen in experimentele verzen. Hij bouwt de wereld en zet haar naar zijn hand, zonder zich van wat dan ook iets aan te trekken. Hij dicht voor zijn plezier en schrijft wat hij wil, als een baldadig kind. Logica en realiteit zijn begrippen die hij bewust achterwege laat, hij bepaalt zelf waaruit zijn nieuwe universum moet bestaan. Het genoegen om gedichten te lezen die zoveel brutaliteit en lef uitstralen, moet wel parallel lopen aan dat waarmee ze zijn geschreven. Hij heeft een heel eigen humor: het veulen zingt aria’s, Marna verandert de vorm van de ruimte in een theepot. 

    Maar Den Ouden is geenszins alleen maar een kind dat overal tegenaan trapt louter om het plezier van het trappen. Zijn gedichten bevatten talloze verwijzingen naar het Oude en het Nieuwe Testament: Genesis, het brandende braambos, Jezus in de woestijn. Hij baseert zijn scheppingsverhaal op dat van de Bijbel en volgt ook de Openbaring van Johannes, waar de Vrouw een kind baart net als Marna doet. 

    De bundel maakt vooral een geslaagde indruk in het begin met talloze intertekstuele verwijzingen en originele beeldspraak in gedichten die overweging bieden. Minder interessant zijn de branieachtige grappen en grollen en de teksten die verzanden in louter klanken en leestekens; ze doen afbreuk aan wat verder een goed opgebouwde en interessante bundel is. 

    De gedichten vertonen een grote variatie in vorm: soms bestaan ze uit twee dichtregels, soms vullen ze de bladspiegel zonder enige onderbreking van leestekens of witregels. Veel van de gedichten zijn een lange opsomming van elementen, een lange rij zelfstandige naamwoorden met een lidwoord ervoor. Bij de dialogen wordt de betreffende spreker aangegeven in lichtgrijze letters. 

    Als op het einde Marna getracht heeft een groot gedeelte van de bewoners van de ruimte te redden, maar niet kan verhinderen dat de ‘oersmak’ toch plaatsvindt, veranderen de gedichten in louter klank- en woordspel, waarna alles tot ‘het licht’ wordt teruggeleid, het licht van het begin en de oneindigheid, tot er uiteindelijk gestamelde klanken overblijven. Het heelal is ten tweede male vernietigd, we zijn weer teruggekeerd naar waar we vandaan kwamen. 

     

    UitgeverQuerido
    Jaartal2020
    RecensentHettie Marzak
    Editie2021-1