Recensies

  • Kraai

    Ted Hughes
    Kraai

    Een goed, gruwelijk boek 

    Ergens aan het begin van Kraai. Uit het leven en de liederen van de Kraai – de door Daan Doesborgh meesterlijk vertaalde klassieke dichtbundel Crow van de Engelse dichter Ted Hughes – staat het gedicht ‘Kraai doet verslag van Sint-Joris’. Daarin ziet de ridder ‘dat alles in het Heelal/ Een baan van getallen vormt die naar een antwoord snelt.’ Kortom, Joris denkt alles door te hebben, te beheersen, gaat vervolgens in dat beheersbare Heelal vechten met iets waarvan hij zeker weet dat het een draak is.

    En alsof hij een pad door het woud kapt verstrooit hij 
    Afgehakte delen, en de tegenstand stort in. 
    Hij staat in een broek van bloed en houtklooft 
    Het tollende lichaam, splitst het uit 
    Van boven naar onder, schopt ingewanden weg – 
    Stapt uit het bloedbad. Herstelt – 

    Laat het zwaard vallen en rent stomgeslagen het huis uit 
    Waar zijn vrouw en kinderen in hun bloed liggen.

    Hoe kan ik hier niet denken aan Sylvia Plath, die zichzelf in 1963 van het leven beroofde en die in in 2017 aan het licht gekomen brieven aan haar therapeut schreef dat Hughes haar mishandelde? Hoe kan ik niet Assia Wevill zien liggen, Hughes’ vriendin, samen met hun dochtertje, dat ze om het leven bracht om daarna de hand aan zichzelf te slaan? Kán Hughes bij deze regels nooit aan hen gedacht hebben? De dood van Wevill en Shura was voor Hughes aanleiding om zijn werk aan Crow te staken en het als dichtbundel te publiceren. Het oorspronkelijke plan was een veel groter prozaboek, met de gedichten als intermezzo’s, het eerste werk waaraan hij na de zelfmoord van zijn echtgenote Sylvia Plath was begonnen. Crow is dus niet alleen een boek, het is ook de ruïne van een ander boek. 

    Je kunt je ook blindstaren op die biografisch-anekdotische invalshoek. Zo wordt het gedicht ‘Tegenmelodie van Kraai’ nogal eens gelezen als een soort sneer naar Plath, als Hughes schrijft: 

    Ze komt sletterig kan niet huishouden 
    Ze kan alleen schoonhouden 
    Ze kan niet tellen ze kan niet duren

    Ze komt stom ze beheerst geen woord 

    De ‘ze’ in dit gedicht is volgens mij gewoon het sublieme, dat wat Kraai niet is en nooit kan worden. Vandaar de ‘tegenmelodie’. Vandaar dat ‘ze’ niet kan tellen (dat deed Sint Joris wel). ‘Ze’ ís die ‘waarheid’ waar Sint Joris zich naartoe wil vechten, de waarheid achter de getallen, achter de taal, achter de gebouwen die overal doorheen de bundel worden opgetrokken bij gebrek aan juist deze ‘ze’. Hij wil haar hebben, zij laat zich niet hebben. Dit gedicht eindigt ook zo: 

    Als er geen hoop zou zijn dan was ze niet gekomen

    En dan was er ook geen huilen in de stad 

    (Dan was er geen stad) 

     

    Die brug vanuit ‘de ziel’ naar stad, rijk, beschaving, Schepping wordt veel geslagen. ‘De Schepping was weer eens onvolmaakt’ en daarom moet de mens bouwen. ‘Toen Kraai werd neergehamerd door God/ Maakte hij goud/ Toen Kraai in de zon werd geroosterd door God/ Maakte hij diamant’. Sublieme zaken, maar ook koloniale zaken. In ‘Speelkameraad van Kraai’ heeft Kraai goden als speelkameraden, en al die goden zijn verbonden aan plekken – bergen, rivieren, etc. – een duidelijke verwijzing naar de verhouding tussen het ‘lokale’ van pagan religies (van gekoloniseerden) en het Christendom met zijn universele pretenties. Een voor een breken de goden vervolgens van hem los en dit is het resultaat:

    Hij was zijn eigen kliekje, de uitgespogen graat.

    Hij was dat waar zijn brein niks van kon maken. 

    Dus het minste, minst-levende ding dat nog bestond 
    Dwaalde over zijn doodloze grootsheid 

    Eenzamer dan ooit. 

    Die ‘doodloze grootsheid’ lijkt me een perfecte term voor een Rijk dat geen Rijk meer is maar niet weet wat het dan wel moet zijn. Make America Great Again en Regain Control (de slogan van Brexit) zijn daar niet ver weg. Die laatste zou zomaar door de Sint Joris van Hughes als strijdkreet gebruikt kunnen zijn. Kraai is een bericht uit het post-apocalyptische van wat er ná die strijdkreet gebeurt, als hij erachter komt dat het sublieme dat hem in beweging bracht ook hetgeen is dat hem neersabelt. Ziedaar bijvoorbeeld de misogynie in het sublieme vrouwbeeld van ‘Tegenmelodie van Kraai’. Ziedaar de logica van de mishandelaar. 

    ‘En onder de bladeren zat hij te huilen// Tot hij begon te lachen’ schrijft Hughes ergens: hij komt van die logica niet los, al heeft hij haar naakt op het papier gezet, en in één moeite door het Britse Rijk, de Westerse Beschaving, het Kolonialisme, het Christendom en ja ook de traditionele poëtische taal, uitgekleed tot op het bot. Dat Kraai daar stopt, maakt de bundel pas echt duister. Want je weet dat het dan weer allemaal opnieuw begint. Wat een goed, gruwelijk boek is Crow. En wat een heldendaad van Daan Doesborgh om het in al zijn meerlagige duisternis de Nederlandse taal in te brengen.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2020
    RecensentJoost Baars
    Editie2021-1