Recensies

  • Reistijd, bedtijd, ijstijd

    Marjolijn van Heemstra
    Reistijd, bedtijd, ijstijd

    Hoop, ergens, waar dan ook 

    Al in haar eerste bundel, Als Mozes had doorgevraagd (2010), toonde dichter, schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra zich gefascineerd door de ruimte, waarin de afstanden onmetelijk zijn. Ze opende toen met het gedicht ‘Aan een ruimtevaarder’, en ook door de tijd werd thematisch gereisd. Maar wat zijn tijd en ruimte zonder iemand om te bereiken, aan de andere kant? Contact leggen, verbinding maken, leek de enige ware drijfveer: ‘Als Mozes had doorgevraagd (…) Dan had ik je aangeraakt en jij mij./ Was de Bijbel geen boek, maar een omhelzing.’ 

    Dat verlangen naar contact, door de tijd en over afstand heen, sprak ook uit haar tweede bundel, Meer hoef dan voet (2015), waarin dat nog het duidelijkst tot uiting kwam in het slotgedicht, een brief aan een Marsbewoner: ‘Het is zover, we komen.’ 

    De titel van haar nieuwe bundel, Reistijd, bedtijd, ijstijd, maakt meteen duidelijk dat we ook nu niet om het raadselachtige verstrijken en verglijden van de tijd heen kunnen. Er wordt wederom gereisd, ergens vandaan en ergens naartoe, maar welke kant op? De mens is een ‘neuriënd eiland, toevallige massa/ water en klank’, drijvend op een oneindige zee (of eerder: een tsunami, die ons overspoelt en verlaat, raakt en beschadigt) van tijd. ‘Ik lig in een licht dat nog moet komen, in de toekomst blaft/ een hond (…) alles is er en komt/ nog, alles is alweer voorbij’. Bij Van Heemstra stemmen deze overwegingen niet zozeer zwaarmoedig als wel opgeruimd: we zijn hier weliswaar slechts even, maar nu we er toch zijn, zo toevallig gevormd uit de bouwstenen van het heelal, kunnen we net zo goed nog even liggen neuriën.

    De naam van de eerste afdeling, ‘Er zijn – er niet meer zijn’, toont letterlijk wat het eerste gedicht daarin, ‘Kras’, beschrijft: hoe we uiteindelijk worden samengevat door een streep, een kras, tussen geboorte en overlijden. Het gedicht waaraan de afdeling zijn titel ontleent, staat iets verderop en lijkt – net als ‘Dooier’ in haar vorige bundel – te gaan over het verlies van een ongeboren kind, dat wrang genoeg zelfs die ‘kras’ nooit lijkt te zijn geweest. Het was er en het was er niet meer. Maar al kwam het nooit ter aarde, toch heeft het bestaan. 

    Wat weten wij er eigenlijk van? ‘Wat als alles andersom blijkt te zijn,/ alles en vooral de tijd:/ de mythen science fiction,/ wij op weg naar een verleden.’ Reisleidster Marjolijn van Heemstra draait hier de landkaart om, keert het kompas binnenstebuiten en keert tot slot ook de zandloper om. Een dergelijke tocht zou bar, boos en angstaanjagend kunnen zijn, maar niet met de zingende toon van Van Heemstra’s gedachten: ‘Ik ben zo moe van dit magere gesprek met mezelf, ik wil zingen/ in andere stemmen (…) op een dag schakel ik de schepping achteruit’. 

    Later in de bundel wordt het gedachtenexperiment nog voortgezet: wat als we al die tijd niet alleen in de verkeerde richting dachten te leven, maar ook in de verkeerde richting hebben gebeden; naar boven in plaats van naar beneden? Van Heemstra formuleert dat mooier, magischer ook: ‘Wat als bomen de geweien zijn van ondergrondse herten’? 

    Naast de muzikaliteit van haar taal, zorgt deze welhaast magisch-realistische blik ervoor dat ingewikkelde thema’s nergens loodzwaar worden. De fonkelnieuwe radeloosheid van een moeder die nog niet weet ‘hoe dit moet’ – terwijl zij en haar kind ‘bloederig en zacht/ als gevilde kikkers in de schemer’ liggen, en haar kind geluiden maakt die ze omschrijft als ‘sonar zoekt land’ – wordt weliswaar benoemd en getoond, maar geeft daarnaast juist blijk van levenslust, van eerbied voor het wonder van het leven, ook al doet het soms, misschien zelfs vaak, pijn: ‘een kind/ blijft een wonder en ik hoor voor het eerst de wond in dat woord’. 

    Van Heemstra thematiseert afstand en tijd in hun verschillende vormen: zoals ‘reistijd’ een tijdsduur aangeeft, ‘bedtijd’ een tijdstip en ‘ijstijd’ een era. Ze toont eveneens hoe de tijd onze kijk op de wereld, de maatschappij en onszelf kan veranderen; waar er in het gelijknamige gedicht eerst wordt gesproken over ‘universele weet-ik-veel’, kijkt het lyrisch ik nu terug in het volle besef dat het destijds niet zien van de verschillen juist het probleem vormde. Die blindheid was een privilege. Zo krijgen ook kwesties als racisme en (koloniale) geschiedenis binnen deze bundel een plaats. 

    Van Heemstra schuwt de grote onderwerpen niet, noch de grote vragen. Al met al gebeurt er veel en wordt er ook veel gedácht, maar als lichtvoetig tegenwicht zijn daar het geschreeuwde wiegelied of ‘Monoloog van de kwade alg’ en ‘Suggestie van een oud matras’, waarin we steeds van perspectief wisselen en het leven weer met frisse verwondering tegemoet zien. Zo lijkt ze met deze bundel zelf het antwoord te geven op de vraag die het motto, afkomstig uit de Mahabharata, het omvangrijke religieuze en filosofische epos uit India, ons indirect stelde: het grootste mysterie bestaat eruit ‘dat elke dag de dood toeslaat en wij leven alsof we onsterfelijk zijn’, hoe houden we dat vol? Zolang er tweeduizend jaar oude zaadjes zijn die plotseling ontkiemen – zoals in het gedicht ‘Dadelpsalm’: ‘dagverse dadels, tweeduizend jaar over datum’ – moet er wel hoop zijn, ergens, waar dan ook.

    UitgeverDas Mag
    Jaartal2020
    RecensentVicky Francken
    Editie2021-1