Recensies

  • Wie dit leest is gek

    Heidi Koren
    Wie dit leest is gek

    Vragen bij authenticiteit

    Wie dit leest is gek is de tweede dichtbundel van Heidi Koren (1975), na Gedachten over een mogelijk einde (2015) en haar roman Hawaï 2000 (2019). In het openingsgedicht stelt de dichter zich kwetsbaar op, als iemand die bevestiging nodig heeft: ‘Ik kan pas slapen als niemand meer online is. Als niemand mij heeft/overgeslagen. Als ik heb laten weten dat ik goed gedaan heb.’ De vraag of het wel goedkomt met haar en de wereld is de rode draad van de bundel. De laatste van de korte gedichtenreeksen heet ook zo: ‘Of het goedkomt’. Zo is er sprake van twijfel over de authenticiteit van de ander. Kunnen we een ander daadwerkelijk

    kennen? Een vraag die urgenter is dan ooit in een wereld die wordt beheerst door sociale media. Ook in de liefde is er twijfel. Is de nieuwe liefde nu eindelijk de ware? Maakt het lyrisch ik er niet zelf een zootje van? ‘Venus reist door mijn derde huis. Ik heb een puinhoop achtergelaten voor ik vertrok. Zij trekt een gezicht’. De grootste onzekerheid bestaat uit de vraag wie zijzelf echt is. Om hier achter te komen trekt het subject zich terug in het bos: ‘Thuis ben je daar waar je niet hoeft te zijn wie je nooit bent geweest.’ Blijkens het nawoord heeft Koren zich ook in werkelijkheid afgezonderd. Wie dit leest is gek is vooral een zelfonderzoek. De vraag rijst wat de lezer daaraan heeft.

    Het zijn eenvoudige gedichten die weinig te raden overlaten, vaak anekdotisch van aard, bestaand uit lopende zinnen. Dikwijls verleent alleen de pointe een gedicht nog wat diepgang. Dat is wel erg mager. Beeldspraak en symboliek liggen nogal voor de hand (‘wit’ tegenover ‘zwart’, ‘sneeuw’, ‘vogel’, ‘vallen’). Ook afwijkende vormen zijn weinig origineel, zoals de gedichten die voornamelijk bestaan uit persoonlijke voornaamwoorden, opsommingen of doorhalingen. 

    Oprecht is de poëzie wel. Je gelooft direct dat de dichter worstelt met thema’s als kwetsbaarheid en vergankelijkheid. Vooral in de eerste gedichten weet Koren nog wel te overtuigen, met een enkele uitschieter, maar naarmate de bundel vordert, worden de gedichten minder sterk. Het zijn vaak uitwerkingen van losse gedachten, die bovendien vrij voorspelbaar zijn. Dat geldt ook voor de drie in opdracht geschreven ‘coronagedichten’, die weer eens bewijzen dat gelegenheidsgedichten meestal niet de sterkste zijn.

    UitgeverVrijdag
    Jaartal2020
    RecensentMathijs van den Berg
    Editie2020-3