Recensies

  • Nachtvangst

    Froukje van der Ploeg
    Nachtvangst

    Onrust is nooit ver weg

    Van der Ploegs vierde bundel Nachtvangst is een persoonlijke bundel: de verteller maakt van meer of minder alledaagse, nabije gebeurtenissen poëzie. De verteller spreekt op een uitvaart, pakt een Frans kookboek waar een gedroogd klavertje vier uit valt of spookt ’s nachts, geplaagd door slapeloosheid, door het huis op zoek ‘naar de dingen die wel slapen, mijn katers/ in rondjes, de gesloten paarse bloemen buiten/ mijn kind met knuffels, ze ademen’.

    Adem voelt de verteller niet altijd, want ‘vroeger was er meer zuurstof op deze planeet’. Van der Ploeg zet de hyperbolische stijlfiguur in deze gelaagde bundel vaker in. Verdriet en paniek zijn regelmatig voelbaar; de afstand tussen de verteller en andere personages groeit en dat is soms nauwelijks te verkroppen. Sterk gespannen zinnen staan naast - en soms in - heldere, beeldende scènes. Een buurmeisje komt na een hockeyfeest luidruchtig thuis. Een man zit in zijn tuin te roken en denkt aan zijn dochter die een paar straten verderop slaapt. De afstand is voelbaar: buiten de dagen dat hij voor haar zorgt, groet hij zijn dochter als buurmeisje.

    Dichten doe je, lezen we elders in de bundel, met een helderheid ‘die alleen komt als de dag stilvalt’. Van der Ploeg schrijft ogenschijnlijk helder, maar er zitten veel contrastrijke elementen in de gedichten die die helderheid op scherp zetten. In deze bundel is onrust, de verteller die zich niet of moeizaam verbindt met de plek, nooit ver weg. Het gedicht ‘GJ1214B’ is genoemd naar een exoplaneet; het wordt in één adem gekoppeld aan hijskranen in de stad en blauwe laarsjes met rode dobbelstenen. De omstandigheden daar zijn stukken extremer dan hier: ‘Brandend ijs en winden van glas’, een ‘planeet/ van diamant, overdaad maakt waardeloos.’ Met de woorden ‘Vloeibaar water’ zijn we vervolgens terug op aarde, op een feestje – maar de ironische woorden ‘kwaliteit van verveling’ vagen elke illusie van gezelligheid weg, het feestje blijkt leeg aan te voelen. Als ter afsluiting de was draait en wij meedraaien ‘in de arm/ van het melkwegstelsel, om een groot zwart gat’, zien we ons zo moeizame dagelijkse leven in een verpletterend perspectief.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2020
    RecensentRoel Weerheijm
    Editie2020-3