Recensies

  • Om mee te geven aan een engel

    Nachoem M. Wijnberg
    Om mee te geven aan een engel

    Zonder eigenschappen

    Als Christus nog eens terugkeert op aarde om Zijn Laatste Oordeel uit te spreken, aan de hand waarvan zal Hij dat doen? Zal Hij met een checklist werken (‘Eert uw vader en uw moeder? Check!’) of ligt er een meer ingewikkelde formule aan Zijn keuzes ten grondslag, waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de afkomst van de persoon, en de context en intentie van de handeling? Wordt de mens in dit narratief kortom collectief of individueel beoordeeld?

    De nieuwe bundel van Nachoem Wijnberg heet Om aan een engel mee te geven. De eerste vragen die je bij een dergelijke titel bedenkt (wie of wat is de engel en wat wordt aan deze engel meegegeven) worden al in de eerste gedichten beantwoord – voor zover dat mogelijk is. Heel behulpzaam heet het openingsgedicht ‘Engelen definiëren’, maar wie ook echt een definitie verwacht, heeft nog nooit iets van Wijnberg gelezen. De slotstrofe begint veelzeggend genoeg met de vraag: ‘Over welke definities heb je het?’

    Duidelijk is in ieder geval, dat de engel een entiteit is die ‘eigenschappen’ meeneemt. Deze notie wordt vervolgens gedicht voor gedicht verder uitgewerkt: het loont bij deze bundel de moeite om bij het begin te beginnen en de gedichten te lezen in de volgorde waarin ze zijn geplaatst: je volgt dan een redenatie. Al vroeg in de bundel (na twee gedichten met de titel ‘Vreemdeling’) wordt de thematiek expliciet verbonden met de vluchtelingenproblematiek. De vluchtelingen zijn degenen die hun eigenschappen verliezen.

    Op zichzelf is dit al opvallend, want hoewel de vluchtelingenproblematiek een van de grootste drama’s van dit tijdsgewricht is, zijn er maar weinig dichters die zich aan het thema wagen. Begrijpelijk genoeg: voor je het weet, sta je te preken of te zeuren. De aanloop die Wijnberg zich permitteert, stelt hem in staat om de valkuilen heen te schrijven:

    Als iemand met lege handen aankomt
    
wordt eerder gedacht dat hij een engel is,

    nog meer als hij wil aannemen

    waarover wie het hem geeft niet kan bedenken
    hoe hij er nog iets aan kan hebben.

     

    Wat betekent het als je geen eigenschappen meer hebt? In ieder geval dat je wordt beroofd van je individualiteit. Een engel wordt doorgaans geassocieerd met het ‘goede’, je kunt je dan ook afvragen of de engelen waar Wijnberg het over heeft inderdaad engelen zijn in de traditionele betekenis. Ik zou zeggen: ja en nee. In de hierboven geciteerde regels wordt het gevolg van het ‘meenemen van de eigenschappen’ mooi geïllustreerd: men vult de leegtes zelf in, doorgaans met iets dat niet overeenstemt met de werkelijkheid, of in dit geval zelfs met het tegendeel. Het slachtoffer (van het meenemen van de eigenschappen) wordt vereenzelvigd met de dader.

    Een dergelijke eenduidige interpretatie doet trouwens afbreuk aan de rijkheid van de bundel. Wijnberg heeft zijn gedichten een bijzonder vrije vorm gegeven: het lijken veelal essayistische prozafragmenten. Laatst stuurde iemand een ingezonden brief naar het NRC omdat hij vond dat een gedicht van Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin onvoldoende (vorm)kenmerken van een gedicht had. Waarschijnlijk gruwt deze man van Om mee te geven aan een engel. In dat geval zal hij niet zien dat de gedichten vormtechnisch in lijn zijn met het thema: het zijn immers gedichten zonder de eigenschappen daarvan. Dit heeft overigens als keerzijde dat Wijnberg wel erg aan het kletsen lijkt te slaan.

    Stel, wie de wereld gemaakt heeft van wat een moment was alsof het al opgegeven was,

    zegt dat hij een engel is geworden

    omdat hij bang was anders helemaal geen werk meer te hebben. Of omgekeerd, wie een engel lijkt
    wordt gevraagd iets kleins terug te brengen naar van wie het kwam, maar hij weet niet meer
    
wie het was, dan wordt hij het zelf maar

    Maar is dat wel echt een keerzijde? Is het niet eerder zo, dat Wijnberg zich door deze vormkeuze in staat stelt alle facetten van zijn thema’s in de grootst mogelijke vrijheid te bespreken? In een viertal gedichten die allemaal de titel ‘Stel, Jezus’ hebben, wordt bijvoorbeeld de figuur van Jezus behandeld (in relatie tot de theologische vragen die de engel oproept). Dat doet hij zonder de magie van zijn onderwerp teniet te doen, maar tegelijk blijft hij onthutsend nuchter en aards, of beter gezegd: economisch. Zoals de hier gerecenseerde fragmenten al laten zien, draait het in deze bundel voortdurend om geven en nemen (en de machtsverhoudingen als gevolg daarvan).

    Bij de gedichten ‘Stel, Jezus’ hebben we de vluchtelingenproblematiek trouwens alweer verlaten en gaan we via een barok geheel van beelden, overwegingen en nuances richting het ‘blackface’-racisme in het slotgedicht ‘Bosneger’, een ultiem voorbeeld van scheve machtsverhoudingen. Wijnberg zit de actualiteit soms zo dicht op de huid dat het pijn doet. Te zeggen dat dit een ‘indrukwekkende’ bundel is, zou dan ook een eufemisme zijn.

    UitgeverPluim
    Jaartal2018
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2019-1