Recensies

  • Het failliet

    Arnoud van Adrichem
    Het failliet

    Taal met onbekende bestemming

    Arnoud van Adrichem is een dichter van het lange, niet-narratieve gedicht. Het failliet, dat als een tweeluik met zijn vorige bundel Geld gelezen zou kunnen worden, telt bijna 150 pagina’s en net als in eerdere bundels is ook hier sprake van een montere, soms onheilspellende variatie op motieven en thema’s – vissen, tieners, geld – die een hele bundel (en inmiddels een heel oeuvre) lang terugkeren. Weliswaar steeds op andere wijze: fragment en totaliteit spiegelen elkaar. Dat geldt ook voor Het failliet, dat bestaat uit verschillende afdelingen – bewegingen – die zich toch laten lezen als één stroom. Stroom is het woord: het hoofdkenmerk van Van Adrichems taal is dat die nevenschikkend en ongedifferentieerd is. Eind- en beginpunt van de bundel, twee knappe, verrassend gecomponeerde cycli, omsluiten de stroom, maar punten in eigenlijke zin zijn het niet – alleen ingangen. Het gedicht ‘Schelp’, dat de bundel opent, is een klankkast waarin naast de zee ook de meerstemmigheid van de wereld ruist. ‘Fles’, dat de bundel besluit, doet denken aan een reis met onbekende bestemming en roept daarmee ook de dichter Celan op, die het gedicht ooit met flessenpost vergeleek.


    Wie begint met lezen, merkt meteen dat het hier niet om de afloop gaat, maar om het gebeuren zelf. Er is sprake van een gefailleerde en een Opdrachtgever, en er zijn plekken waar beschutting wordt gezocht van de alles achtervolgende sleepnetten van de schuld – vooral het strand – maar de plot is flinterdun. Het gaat dan ook om iets anders:

    Een open einde?
    Nee, het is net begonnen
    met een hondse grom.

    Een herder blaft naar
    golven die zich terugtrekken,
    schuimend aanrollen

    als monologen.
    Deze scène biedt dekking,
    die andere niet.


    We zien hier een typisch procedé van deze poëzie in werking: wat een beschrijving van een scène uit de werkelijkheid lijkt, wordt onmiddellijk teruggeplooid op de taal zelf, doordat de golven in monologen veranderen. Niet het verhaal, de diepgang, maar de taal en wat er aan de oppervlakte gebeurt – in klank en woordwaarde – creëert in deze bundel de spanning. De vele motto’s bij de gedichten verankeren het boek stevig in de traditie van language writing en haar fellow travellers: van Louis Zukofsky, Gertrude Stein en John Olson naar Lyn Hejinian, Rachel Blau du Plessis en Elizabeth Willis. Bij deze schrijvers, nauw verbonden aan het tijdschrift Parmentier(† 2013) waarin Van Adrichem ze voor een Nederlandstalig publiek introduceerde, ging het niet om de stem van de dichter of de representatie van de werkelijkheid, maar om de – sociale, politieke – materialiteit van de taal zelf. Het motto van John Ashbery dat aan de hele bundel voorafgaat, onderstreept dat nog eens: ‘I thought that if I could put it all down that would be one way. And next the thought came to me that to leave all out would be another, and truer, way.’

    Van Adrichem wil niet vastleggen maar weglaten, geen inhoud overbrengen maar de overgangen en gaten tonen, om zo iets op te vangen dat de werkelijkheid meer benadert dan een representationele benadering zou kunnen; dat wat ontsnapt aan de alledaagse communicatie. Openheid van de vorm als wapen tegen de bestaande verhalen. De bundel is dan ook niet lineair opgebouwd maar verloopt door middel van associatie, juxtapositie, dialectische tegenstellingen, contrasten, woordspelletjes, gelijklopende ritmes. Neem deze passage uit het gedicht ‘Verf’:

    Zo houd je elke dag iets over. Geen richting,
    maar distantie. Misschien een gedachte, zacht als
    suède. Of een puttertje op de palm van je hand. Of een
    woord waarover je geen rente verschuldigd bent.

    Ook dat kan een begin zijn.


    Ik weet niet hoe je afstanden moet schilderen.
    Door mijn penseel in roomijs te dopen? Vraag het
    Malevitsj. Die is griezelig maar wel charismatisch. Of
    ga langs bij Schoonhoven. Hij houdt van pannendaken,
    putdeksels en wenteltrappen.



    Deze taal bestaat uit wat De Saussure ‘parole’ zou noemen; taal zoals je die aantreft op straat, in het nieuws, in de krant, maar ook in je eigen schedel, in je mond, kauwend op formuleringen, peinzend, proberend. Tegelijk vormt ze een muzikale compositie van klank. Het effect is dat de woorden op twee manieren tegelijk functioneren: als fonemen, en als syntaxis, betekenis, verhaal. Deze poëzie ontleenthaar spanning aan het op elkaar inwerken van al die niveaus; de contrasten tussen het abstracte en concrete, het fysieke en de immaterialiteit van het denken. ‘Mogelijkheden willen benut worden’, lezen we even verderop, en: ‘Wij hoorden dat het narratief in rook opging nadat het zijn werk had gedaan’. Alsof de dichter vooral uit de weg wil ruimen, in plaats van creëren.

    Maar dan? Wat komt er na het failliet? Deze poëzie lijkt te zoeken naar een desintegratie in de literatuur die in de werkelijkheid allang bewerkstelligd is. De afwezigheid van een andere taal dan die van het kapitalisme is het probleem van deze poëzie – van alle poëzie – maar de behandeling van dat probleem heeft iets van een vrijblijvend schouwspel. De urgente vraag hoe we andere werelden kunnen ontwerpen en bewonen, hoe we ontsnappingsroutes kunnen vinden,

    blijft hier daardoor helaas op afstand.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2020
    RecensentFrank Keizer
    Editie2020-3